Capelle in historische perspectief…..

Capelle aan den IJssel

Capelle aan den IJssel dankt haar naam aan een “Cappel” , die stond op de plaats van of nabij de huidige Dorpskerk (1593) aan de Kerklaan. De vroegste vermelding van ‘Capel op tie Yssel’ betreft een akte uit de jaren 1276-1280. Sinds die tijd komt de naam in oude stukken en kaarten onder andere voor als: Cappel, Kappel, Capelle, Cappelle, Kapelle, Kappelle, Kapelle ZH, Dorp Cappelle, Dorp Capelle, Dorp Kappelle, Capelle op den JJssel, Capelle op d’ JJssel, Cappelle op d’ JJssel, Capelle aid JJssel, Cappelle aid JJssel, enz., enz.. Van eenheid in de spelling is geen sprake, zo blijkt.

In 1350 viel het ambacht Moordrecht in drie ambachten uiteen: Moordrecht, Nieuwerkerk en Capelle. Deze ambachten vielen aanvankelijk onder de bisschoppen van Utrecht, later onder de graven van Holland. Een aparte leen werd gevormd door het ‘Huis (Slot) met hofstede te Capelle’ met de daarbij behorende rechtsmacht over het 144 morgen groot bijbehorende gebied. Het Huis (eerst een ontginningshoeve, later een kasteel) was tevens residentie van “ den heer ” en grensde aan het ambacht Capelle.
Er hebben tenminste vier huizen gestaan.

Het meest indrukwekkend was het laatste kasteel dat de bekende Rotterdamse koopman, bankier en bouwheer Johan van der Veeken (1548-1616) liet bouwen tussen 1612 en 1615. Door vererving en verkoop kwam het kasteel later in bezit van verschillende aanzienlijke en gefortuneerde Rotterdamse families. De laatste vrouwe van Capelle, Elisabeth Maria van Neck, verkocht op 1 april 1797 het kasteel aan Jan Machiel Schmidt en Arnoldus de Groot, die de inboedel veilden en het gebouw in 1798 lieten afbreken.

Schmidt verkocht op 17 september 1801 het gebied van het (gesloopte) Slot inclusief de opstallen aan Jacob Cornelis Jantzon van Erffrenten. Momenteel resteren alleen nog de oude slotgrachten en, op enige afstand, het Dief-en duifhuisje uit de 16e eeuw.

Volgens het reglement van bestuur ten plattelande voor Zuid-Holland, werden in 1816 het ambacht Capelle en het Slot te Capelle tot één gemeelue samengevoegd, die de naam ‘Capelle aan den JJssel en het Slot’ kreeg. Op 1 april 1817 werd deze bestuursvorm effectief.

In verband met waterstaatkundige aangelegenheden werd het ambacht Capelle met zijn bestuur gehandhaafd tot 1862. De taken van het ambacht werden toen overgenomen door het Hoogheemraadschap van Schieland, de polders en de gemeente Capelle. Sinds de invoering van de Gemeentewet van 1851 luidde de officiële naam voortaan: Gemeente Capelle aan den JJssel (zonder ‘en het Slot’).

Na 1854 werd in het randschrift van het gemeentezegel de naam echter vastgelegd als Cappelle op d’ JJssel. Deze naam werd op uitgaande gemeentelijke stukken en akten van de burgerlijke stand tot februari 1924 gebruikt. Na die tijd werd weer de officiële naam gebruikt: Capelle aan den IJssel.

Bron: Historische Vereniging Capelle aan den IJssel (HVC) 2015

Capelle en de Romeinse overheersing

Alhoewel iedereen bij Capelle aan den IJssel denkt aan een nieuwbouwstad, gaat de historie van deze locatie zeer ver terug tot aan de Romeinse tijd. De Romeinen brachten, zegt men, de beschaving in de moerassige gebieden van Nederland destijds, en maakten daarmee een einde aan het prehistorische tijdperk. Ondanks hun technisch inzicht hadden ook zij geen afdoend antwoord op het steeds weer wassende water. Zij verlieten onze streek weer omstreeks 300 jaar na Christus, enige kleine sporen van hun langdurige invloed achterlatend.

Een voorbeeld hiervan is de ‘s-Gravenweg. Deze door de Romeinen aangelegde heerbaan was ook toen al een directe verbindingsweg tussen dat wat pas in een veel later stadium Rotterdam zou worden en Gouda. Daarnaast hebben de Romeinen ook gebruik gemaakt van het water. Voor het vervoer van vrachten werden bijvoorbeeld schepen met een zeer platte bodem gebruikt. De schouw, een platbodem die met een kloet (vaarboom) wordt voortgeduwd en die hier nog lange tijd is gebruikt voor het afvoeren van de tuinbouwproducten, heeft zoveel overeenkomsten met de eerdere Romeinse vrachtschepen dat men hier een zekere invloed in vermoedt.

Romeins duiker Slotlaan/Slotpark

Het eerste bewijs van bewoning van het uitgestrekte moerasgebied langs de Hollandsche IJssel. Bij opgravingen in 2000 door het bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) rond Slotlaan en Slotpark treft men, in een voormalige geul, de overblijfselen van een houten damconstructie een rij van houten palen met de resten van drie ‘duikers’.
Een duiker (een uitgeholde boomstam) doet dienst als verbinding tussen twee waterlopen en is soms voorzien van een klep om als sluis te dienen. De damconstructie stamt uit de tweede eeuw na Christus.
Op kaarten uit het verleden komt op de plaats van het tegenwoordige Capelle al een plaats BATAVORUM voor. Ook de naam IJsele dateert uit die tijd.

Na het vertrek van de Romeinen verviel de streek weer in zijn oude hoedanigheid: hier en daar een nederzetting met als belangrijkste vorm van bestaan de jacht en de visserij. Bovendien was het gebied ook minder goed bewoonbaar geworden door de stijging van het zeewater en daardoor de stijging van het grondwater in de moerassen. De vorming van veen ging feitelijk continu door.

In de 8e eeuw trad een verandering op in de waterhuishouding van dit gebied. Door het verzanden van de Rijn veranderde de loop van de rivieren. Oude rivieren verdwenen en nieuwe ontstonden, bijvoorbeeld de Lek, de Hollandse IJssel, de Merwede en de Waal.
De zogenaamde lage landen, die eerst werden gekenmerkt door grillige waterstromen, werden langzaam maar zeker een landschap met een door de natuur strakker geregeld rivierenstelsel. Ook het gebied dat later Prinsenland zou worden, was via deze waterwegen beter bereikbaar en waarschijnlijk hebben zich vanaf die tijd ook hier steeds meer mensen gevestigd.

Al gauw ging men zich het land eigen maken. De oeverwallen langs de rivier bleken geschikt voor bewoning en de landen daarachter werden ontgonnen voor de landbouw. Overbodige begroeiing werd verwijderd en het terrein werd geëgaliseerd. Water dat hierdoor uit het sponsachtige veen kwam, werd door systematisch gegraven greppels afgevoerd. Op landkaarten uit het verleden komt op de plaats van het tegenwoordige Capelle al een plaats BATAVORUM voor. Ook de naam IJsele dateert uit die tijd.

In 2000 zijn door archeologen van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek R’dam (BOOR) opgravingen verricht vlakbij het Dief- & Duifhuis. Hierbij is een dijkje van minimaal 10 meter breed en aan weerszijden voorzien van een rij houten palen met daarin twee duikers, blootgelegd. Deze constructie dateert uit de tweede eeuw na Christus.

Zo oud als de weg naar Kralingen…..

Capelle aan den IJssel is ‘zo oud als de weg naar Kralingen’. Dit gezegde is de Zuid-Hollandse variant op de bekende weg naar Rome. Opgravingen laten zien dat er al in de tweede eeuw na Christus bebouwing was langs de IJssel. De s-Gravenweg naar Kralingen verbindt Gouda met wat nu Rotterdam is. Langs die weg ontstond het karakteristieke Hollandse slagenland van het dorp Capelle. Een dorp dat vooral bestond uit zalmvissers en steenbakkers.

De Romeinen brachten, zegt men, de beschaving in de moerassige gebieden van Nederland destijds, en maakten daarmee een einde aan het prehostirische tijdperk. Ondanks het technische inzicht hadden ook zij geen afdoende antwoord op het steeds weer wassende water. Zij verlieten onze streek weer zó’n 300 jaar na Christus, wat sporen van hun invloed achterlatend.

Een goed voorbeeld hiervan is de s-Gravenweg. Deze door de Romeinen aangelegde heerbaan was ook toen al een directe verbindingsweg tussen dat wat pas in een veel later stadium Rotterdam en Gouda zou worden. Daarnaast hadden de Romeinen ook gebruik gemaakt van het water. Voor het vervoer van vrachten werden bijvoorbeeld schepen met een zeer platte bodem gebruikt. De schouw, een platbodem die met een kloet (vaarboom) wordt voortgeduwd en die hier nog lange tijd is gebruikt voor het afvoeren van de tuinbouwproducten, heeft zoveel overeenkomsten met de Romeinse vrachtschepen dat men hier een zekere invloed in vermoedt.

Na het vertrek van de Romeinen verviel de streek weer in zijn ouwe hoedanigheid, hier en daar een nederzetting met als belangrijkste vorm van bestaan de jacht en de visserij. Bovendien was het gebied ook minder goed bewoonbaar geworden door de stijging van het zeewater en daardoor de stijging van het grondwater in de moerassen. De vorming van veen ging feitelijk continu door.

In de 8e eeuw trad een verandering op in de waterhuishouding van o.m. dit gebied. Door het verzanden van de Rijn veranderde de loop van de rivieren. Oude rivieren verdwenen en nieuwe ontstonden, bijvoorbeeld de Lek, de Hollandse IJssel, de Merwede en de Waal.

De zogenaamde lage landen, die eerst werden gekenmerkt door grillige waterstromen, werden langzamerhand een landschap met een door de natuur strakker geregeld rivierenstelsel. Ook het gebied dat later Prinsenland zou worden, was via deze waterwegen beter bereikbaar en waarschijnlijk hebben zich vanaf deze tijd ook hier zich steeds meer mensen gevestigd. Hierbij de s’-Gravenweg als voorloper. Al snel ging men zich het land eigen maken. De oeverwallen langs de rivier waren geschikt voor bewoning en de landen daarachter werden ontgonnen voor de landbouw. Overbodige begroeiing werd verwijderd verwijdert en het terrein werd geëgaliseerd. Water dat hierdoor uit het sponsachtige veen kwam, werd door systematisch gegraven greppels afgevoerd.

Capelle aan den IJssel is zo rondom het jaar 1100 ontstaan. Er vestigden zich toen mensen die een aanvang maakten met landontginning. Het gebied behoorde toe aan de Sint Salvator-of Oudmunster kerk te Utrecht. In die tijd moet er ten oosten van de huidige Kerklaan een klooster en een kapel gestaan hebben. De kapel ressorteerde onder de parochiekerk van Ouderkerk aan den IJssel, evenals een bezitting van de kerk te Utrecht. Door die kapel is de naam van het dorp ontstaan. Eerst Kapelle op den IJssel, Later veranderd in Capelle aan den IJssel.

De vroegere bewoners schijnen zich onder meer met visvangst bezig gehouden te hebben. Het wapen toont ons twee vissen op een schild. Omstreeks 1280 was er sprake van een parochiekerk. Er wordt vermoed dat zowel klooster als kapel bij de Sint Elisabethsvloed in 1421 zijn verloren gegaan. Later bouwde men hier een nieuwe kerk, de sint Nicolaaskerk. Deze kerk is in 1572 na een Beeldenstorm overgegaan in handen van de gereformeerden. De kerk werd in 1574 door brand verwoest en weer opgebouwd. Ze werd in 1593 weer in gebruik genomen. In dit jaar werd ook de eerste predikant van de hervormde gemeente Petrus Johannis Schrijver, officieel bevestigd. De dorpskerk is in 1959 en in 1990 grondig gerestaureerd.

Het oudst bekende stuk met betrekking tot de historie van Capelle aan den IJssel in het Rijksarchief is van 22-1-1317. Graaf Willem III verkoopt daarbij aan den heer Jan van der Werve voor 325 pond Hollands de ambachten Capelle en Niewerkerk. Dit waarschijnlijk als onderdeel van een grondruil.

Toen in de 80-jarige oorlog (1568-1648) de stad Leiden maandenlang werd belegerd, werd besloten de soldaten met behulp van water te verdrijven. Op bevel van Willem van Oranje werd Schielands Hoge Zeedijk op 16 plaatsen doorstoken en al het gebied tot aan Leiden liep onder zilt water. Na een maandenlange belegering door de Spanjaarden werd de stad op 3 oktober 1574 door de geuzen bevrijd. De gaten werden na Leidens Ontzet weer gedicht.

Waarschijnlijk was dit niet heel degelijk gebeurt omdat prins Maurits later bevel gaf tot versteviging van de dijk met een muur, de Mauritsmuur, die tot 1953 bleef staan. Gelukkig werd de dijk toen verstevigd en verhoogd en de muur gesloopt want de Mauritsmuur had de stormvloed van 1953 niet kunnen weerstaan. Leiden werd ontzet.

Capelle kreeg ten tijden van Napoleon bezoek van de Fransen. De Fransen marcheerden over de s’Gravenweg en beleefde dit als een weerbarstig gebied. Brief-voeringen van de soldaten vertellen een verhaal van heimwee en zware marsen door de moerassige veengrond van Capelle. De authentieke ’s-Gravenweg vormt nog steeds één van de mooiste plekken in de gemeente.

De Franse overheersing

Franse Overheersing

Deze foto toont de herdenking van de bevrijding van de Franse overheersing in 1913. Hier een historische optocht op de Kanaalweg. Nederlandse patriotten riepen in 1795 met hulp van het Franse leger de Bataafse Republiek uit. In 1806 werd Holland weer een koninkrijk met Napoleons broer Lodewijk als koning. Omdat Napoleon zijn broer te zelfstandig vond opereren, lijfde hij de Nederlanden op 13 juli 1810 in bij Frankrijk. In 1813 werd Napoleon bij Waterloo verslagen en deed hij afstand van de
troon. Op 30 november 1813 kwam de oudste zoon van Willem V in Nederland. In 1815 werd hij koning Willem 1. In de Franse tijd kwam er een nieuw staatsbestel met een grondwet. Nederland verloor de koloniën Kaapkolonie, Guyana en Ceylon aan Engeland. En
er werd een burgerlijke stand, het kadaster en de dienstplicht ingevoerd.

Bron : HVC Wim van den Bremen

Kralingsche Veer

Kralingsche Veer is eigenlijk heel oud. De naam doet al vermoeden dat we te maken hebben met een veer, een overzetveer van Kralingen naar IJsselmonde, alwaar een Slot IJsselmonde (afgebroken in 1900). In een oorkonde uit 1333 wordt al over het bestaan van dit veer gesproken. Waarschijnlijk mogen we wel stellen dat dit veer veel ouder is. Wellicht vormde het veer een schakel in de heirbaan van de Romeinen. Rondom een overzetveer ontstond in de loop der tijd wat bebouwing als een herberg, de woning van de veerman, een stalling voor paarden en zo meer.

Zalmvangst

Ook vestigden zich er ter plaatse vissers. Het dorp Kralingen lag vroeger in de buurt waar thans de begraafplaats Oud Kralingen te vinden is. Op deze begraafplaats liggen nog wat oude resten van de kerk waar eens ds.Th. van der Groe gestaan heeft en begraven is.
Door de zalmvisserij is Kralingse Veer beroemd geworden. In het midden van de achttiende eeuw valt te spreken van een professionele aanpak en van handel in zalm. Er was een marktgebouw, een afslag zodat de vis verhandeld kon worden. De afslag stond aan de Schaardijk. Na het jaar 1890 verminderde de zalmvangst.

In 1932 werd het afslaggebouwtje gesloopt. Van de oude glorie van Kralingse Veer is helaas niets meer over. Het tegenwoordige restaurant Het Zalmhuys refeert naar deze tijden..
Burgers uit het noorden van Nederland (bijvoorbeeld Amsterdam) gingen langs deze weg naar het zuiden (Antwerpen)
Later ontstond op deze plaats een vaste veerboot-verbinding met het dorp Ouderkerk aan den IJssel en Krimpen, maar ook naar Gouda. In de buurt lag het buurtschap Keeten, wat later is uitgegroeid tot het huidige Capelle West.

Ongeveer een eeuw later, toen Karel de Grote keizer werd van het Frankische rijk, werd het leenstelsel ingevoerd. Edelen kregen als beloning voor hun trouw en bewezen diensten een stuk land te leen, wat zij al gauw als eigendom gingen beschouwen. Zo werd het latere Prinsenland op die manier in het begin van de dertiende eeuw uitgeleend als heerlijkheid aan de familie Van Cralingen.

De oude bebouwing en de vele buurtjes langs de Schaardijk zijn verdwenen. Nagenoeg geen pand daarvan is blijven staan. Alleen het gedeelte ten oosten van de IJsselmondselaan bleef bestaan. Dat is het huidige Kralingse Veer. De meeste huizen van dit gedeelte dateren uit de jaren 1920 -1935. Men duidde deze wijk aan met Capelle-West. Toen de wijk in 1941 door de gemeente Rotterdam werd geannexeerd, werden de straatnamen veranderd. Geen schrijversnamen sieren de naambordjes meer, maar Kralingse Veer is veranderd in een “wilde-beesten-buurt”, zoals iemand het ooit heeft aangeduid.

Turfsteken en het ontstaan van polders

ZH gemeente Capelle aan den IJssel in ca. 1870 kaart J. Kuijper [1024x768]

Eind 15e eeuw begon men op grote schaal met het afgraven van de veengrond. De ovens van de steenbakkerijen, de opkomst van de steden en de groeiende bevolking op het platteland veroorzaakten een stijgende behoefte aan brandstof. De turfwinning zou de natuur onherstelbaar beschadigen. Rond 1530 ging men over op slagturven. Men baggerde het water steeds dieper uit op jacht naar het bruine goud. Het is vooral deze manier van turfwinning die het landschap veranderde.

Steenbakkerijen

Langs de IJssel zijn vele steenplaatsen gebouwd : ter hoogte van Moordrecht, Nieuwerkerk (Hitland),bij Ouderkerk, maar ook in Capellle, zoals bij De Oude Plaats en de Kouwen Hoek, waar in de loop der eeuwen miljoenen ijsselsteentjes zijn gebakken uit het slib van de rivier.

Dit slib sloeg bij terugtrekkend tij (eb) van de rivier neer in de rondingen van de rivier (zellingen) waarna het door baggeraars weer werd vervoerd naar de steenbakkerijen. De zo verkregen klei werd in mallen gevormd tot steentjes, gedroogd en gebakken in steenovens, een proces wat wekenlang duurde.

In de loop van de 20e eeuw kon door de lokaal oprukkende industrie (vooral de scheepsbouw) en de toenemende bebouwing, de veeteelt zich niet meer handhaven. Ook de IJsselstenen moesten het afleggen tegen de dikkere en goedkopere Waalstenen. Ook ging de kwaliteit van het kleislib sterk achteruit door de verontreinigingen die toen al door lozingen van schepen en nieuwe industrieën werden veroorzaakt. Dit bleek dus reeds de voorbode van latere ernstige verontreinigingen!

Beroepsbevolking

De meeste inwoners uit die tijd waren visser, boer, steenplaatsarbeider, tuinder, touwbaan-arbeider, baggeraar en turfsteker. Aan de overkant van de rivier in Ouderkerk woonden honderden schippers, zij vervoerden voornamelijk zand en grind, in veel mindere mate voedsel en vee. De concurrentie was groot, maar s’zondags gingen zij allen naar de kerk.

Vooral de arbeiders op de steenplaatsen in de regio leefden in grote armoede. In de ogen van nu, waren ze min of meer lijfeigenen en vrouwen en kinderen moesten allen meewerken in de steenbakkerijen. Armoede en zware werkomstandigheden eisten hun tol. Er waren vele grote gezinnen van 15 kinderen of meer, kinderarbeid : de meisjes moesten al vroeg aan het werk als dienstmeid bij de eigenaren. De arbeiders leefden in kleine huisjes op het terrein.

De polders

In de omgeving van Capelle zijn er veel polders, te noemen valt de Eendrachtspolder en de Prins Alexanderpolder. Voordat dit gebied in de periode tussen 1750 en 1875 werd ingepolderd is het minstens drie keer van aanzien veranderd.

  • Vóór de Middeleeuwen was het een moerassig veengebied waar nauwelijks mensen woonden. De boeren uit de omgeving zagen echter wel iets in het omzetten van de moerassen in bouwland. In de vroege Middeleeuwen hebben deze boeren het gebied in cultuur gebracht en er landbouwbedrijfjes gestart.
  • Bouwland werd plas
    Op een goed moment werd het lucratiever om de grond af te graven dan deze te bebouwen. Dit was het gevolg van de grote vraag naar turf, de meest gebruikte brandstof uit die tijd. Turf bestaat uit aan elkaar geplakte en vermolmde lagen plantevezels. Als je natte turf droogt, kun je deze plantenresten goed stoken en gebruiken voor het verwarmen van huizen en het stoken van ovens. Zeker in de toenemende verstedelijking rond Rotterdam was er veel vraag naar turf.
  • Plas werd weer bouwland
    Door de vele turfafgravingen ontstonden er rond de stad echter enorme plasgebieden. Sommige werden zo groot dat ze bij slecht weer een bedreiging voor de nabij wonende bewoners stad werden. Vanaf de 18e eeuw werden veel van deze plassen weer drooggelegd. Ze werden bedijkt en drooggemalen. In 1753 werd op die manier de Eendrachtspolder aangelegd en in 1874 de Prins Alexanderpolder. Die laatste heeft zijn naam te danken aan een vernoeming naar de zoon van koning Willem III.

Capelle en het openbaar bestuuur

Capelle aan den IJssel is zo rondom het jaar 1100 ontstaan. Er vestigden zich toen mensen die een aanvang maakten met landontginning. Het gebied behoorde toe aan de Sint Salvator- of Oudmunster kerk te Utrecht. In die tijd moet er ten oosten van de huidige Kerklaan een klooster en een kapel gestaan hebben. De kapel ressorteerde onder de parochie kerk van Ouderkerk aan den IJssel, eveneens een bezitting van de kerk te Utrecht.

Door die kapel is de naam van het dorp ontstaan. Eerst Kapelle op d’IJssel. Later veranderd in Capelle aan den IJssel. De vroegere bewoners schijnen zich onder meer met visvangst bezig gehouden te hebben. Het wapen toont ons twee vissen op een schild.
Omstreeks 1280 was er sprake van een parochiekerk. Er wordt vermoed dat zowel klooster als kapel bij de Sint Elisabethsvloed in 1421 zijn verloren gegaan. Later bouwde men hier een nieuwe kerk, de Sint Nicolaaskerk.

Deze kerk is in 1572 na een beeldenstorm overgegaan in handen van de Gereformeerden. De kerk werd in 1574 door brand verwoest en weer opgebouwd. Ze werd in 1593 weer in gebruik genomen. In dit jaar werd ook de eerste predikant van de hervormde gemeente, Petrus Johannis Schrijver, officieel bevestigd. De Dorpskerk is in 1959 en in 1990 grondig gerestaureerd.

Het oudst bekende stuk m.b.t. Capelle aan den IJssel in het Rijksarchief is van 22-1 -1317. Graaf Willem III verkoopt daarbij aan de heer Jan van der Werve ** voor 325 pond Hollands de ambachten Capelle en Nieuwerkerk. (B33). waarschijnlijk als onderdeel van een grondruil.

** Jan van der Duyn Jansz., ovl. voor 9 jun 1400
alias Jan van der Werve, draagt in 1370 4 morgen land in leen op gelegen te Zevenhuizen, wordt in 1379 door zijn neef Arnoud van Egmond beleend met enige perselen land te Zevenhuizen, genoemd in het verdrag van verkoop van de heerlijkheid Zevenhuizen op 6 oktober 1386 met ‘5 morgen land ‘t-Eynden Willems landen van der Duyn en 10 morgen land ‘t-Eynden zynre zate, die hij in leene houde van de Heere van Brederode, belend Floris landen van der Duyn’.

Hij draagt in of omstreeks 1386 de hofstede van der Duyn op aan Reynout, heer van Brederode en ontvangt het weder van diens zoon Jan in leen terug. Op 21 maart 1386 belooft Vranc Mijns Herensz. hem 14 oude scilden terug te geven indien het land afkomstig van Jacob Dirxz., gelegen in Moordrecht, hem afgenomen zal worden. Hij verkrijgt de helft van het land gelegen in Moordrecht van Wouter Abbenzone, dat jonkvrouw Aleyze Jansdr. van Schije gekregen had van haar neef Jaco b Dirc Philipsz. Borg voor zijn zoon Wolfaert, die op 1 december 1393 poorter van Gouda werd .
Hij had een vordering op Griete Arnts weduwe op 16 april 1395. overleden voor 9 jun 1400, wanneer zijn zoon hem opvolgt in zijn lenen.

Schielands Hoge Zeedijk

Langs het lage polderlandschap van Schieland slingert zich sinds mensenheugenis Schielands Hoge Zeedijk, de enige bescherming voor de bewoners tegen het water. De dijk ontstond aan het eind van de 12e eeuw in opdracht van Aleid van Henegouwen (1228 – 1284), ook bekend als Aleid(a) van Avesnes, was gravin van Henegouwen.

Aleid was een dochter van Floris IV van Holland en Machteld van Brabant. Zij trouwde met Jan van Avesnes om het bondgenootschap van haar broer Willem II van Holland met Jan te bevestigen. Na de dood van Jan (1257) werd ze regentes van Henegouwen voor haar zoon Jan II van Avesnes. Na de dood van haar broer Floris de Voogd (1258, Willem was al overleden) werd ze ook regentes van Holland voor Floris V van Holland (tot 1263).

De Schielands Hoge Zeedijk dateert van omstreeks 1270 en was circa 35 kilometer langs, zij liep vanaf Schiedam naar Gouda. Ter hoogte van Capelle onstond een kerk en enige huizen. Deze kerk brandde omstreeks 1574 af, waarna op dezelfde plek een nieuwe kerk werd gebouwd, ter hoogte van de bestaande Oude Dorpskerk in het Capelse Dorp.

In de loop der tijd nam het aantal bewoners in de polders achter deze dijk toe tot circa drie miljoen, de functie van Schielands Hoge Zeedijk bleef echter in al die jaren onveranderlijk dezelfde: de bescherming garanderen van al die bewoners. Door turfsteken van de toenmalige inwoners ontstonden plassen en meren in het veengebied die later werden drooggemalen het water werd – deels via de huidige ringvaart – geloosd op de IJssel. Zo ontstonden de polder, waaronder de Alexanderpolder en de wijk Capelle Schenkel.

Schielands Hoge Zeedijk en Leidens Ontzet in 1574

In zijn bestaan is Schielands Hoge Zeedijk nooit echt doorgebroken. De dijk is echter in 1574 wel op 16 plaatsen doorgestoken voor Leidens ontzet. Op 1 februari 1953 heeft de dijk het tussen Capelle aan den IJssel en Nieuwerkerk aan den IJssel bijna begeven. Het gat in de dijk is toen gedicht door een schip in het gat te varen. Hieraan herinnert een monument op de dijk.

Schielands Hoge Zeedijk is maar één keer is doorgebroken. De enige werkelijke doorbraak van deze dijk was bewust door mensen veroorzaakt : Toen in de 80-jarige oorlog (1568 – 1648) Leiden maandenlang werd belegerd, werd besloten de soldaten met behulp van water te verdrijven. Op bevel van Willem van Oranje werd Schielands Hoge Zeedijk op 16 plaatsen doorstoken en al het gebied tot aan leiden lipe onder zilt water. Na een maandenlange belegering door de Spanjaarden werd de stad op 3 oktober 1574 door de geuzen bevrijd ! De gaten werden na Leidens Ontzet weer gedicht.

Waarschijnlijk was dit niet heel degelijk gebeurd, omdat Prins Maurits later bevel gaf tot versteviging van de dijk met een muur, de Mauritsmuur, die tot 1952 bleef staan. Gelukkig werd de dijk toen verstevigd en verhoogd en de muur gesloopt, want de Mauritsmuur had de stormvloed van 1953 niet kunnen weerstaan. Leiden werd ontzet. Capelle kreeg ten tijde van Napoleon bezoek van de Fransen. Deze soldaten hadden het hier wat minder naar hun zin en kampten met grote heimwee .

Slot Capelle

Na 1300 begon men ook het gebied ten westen van de huidige Kerklaan te ontginnen. Er zijn ter hoogte van de polder “Oude Plaats” in de loop der eeuwen een zevental verdedigingswerken / vestigingen gebouwd, die later alle door verwoesting dan wel door brand zijn verdwenen.

Omstreeks 1275 liet Dirc Traveys van Moordrecht een eerste vestiging bouwen ter hoogte van de steenplaats ” De Oude Plaats”. Bekend is dat daar al in 1340 een landgoed zich bevond. Op dit landgoed werd het slot Capelle gebouwd. Dit kasteel werd in 1352 verwoest tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten. In het begin van de zestiende eeuw werd er een nieuw kasteel gebouwd, uitgevoerd met dubbele slotgrachten. Dit diende tot 1798 als buitenverblijf voor verschillende regentengeslachten uit Rotterdam.

UBL01_P302_3N016, 3/20/09, 1:23 PM,  8C, 7968x8721 (13+1895), 100%, December 2008, 1/160 s, R43.6, G15.6, B17.1
UBL01_P302_3N016, 3/20/09, 1:23 PM, 8C, 7968×8721 (13+1895), 100%, December 2008, 1/160 s, R43.6, G15.6, B17.1

Zo kocht in het jaar 1612 Johan van der Vreeken de heerlijkheden Nieuwerkerk aan den IJssel en Capelle aan den IJssel. Hij vestigde op de plaatse van de oude verdedigingswerken de een nieuw Slot Capelle, een min of meer sierslot. Daarna raakte het in verval, de inboedel werd verkocht en het slot werd uiteindelijk omstreeks 1797 afgebroken. Van dit slot resten alleen nog de grachten en een gevangenhuisje. De huidige Slotlaan was de oprijlaan naar het slot.

Van Cappellenhuis anno 1898

De Van Cappellen Stichting speelt een grote rol in het Van Cappellenhuis. De stichting is opgericht door Anna Maria van Cappellen en haar echtgenoot Johannes Nolen. In 1892 bepaalden ze per testament om na hun overlijden op te richten en te vestigen “een weldadige stichting tot oprichting en instandhouding van een ouden mannen en vrouwenhuis”.

Na het overlijden van Anna Maria in 1893 en van Johannes in 1895 werden de bepalingen uit het testament ten uitvoer gebracht en in 1895 kwamen de bestuursleden, destijds genaamd regenten, van de Van Cappellen Stichting voor de eerste maal bijeen. Daarmee kwam de wens van een moderne woonvoorziening voor ouderen tot stand.

Het kapitaal waarmee de Van Cappellen Stichting het pand liet bouwen was afkomstig uit de erfenis van Pieter van Cappellen, een oom van Anna Maria van Cappellen. Pieter was in 1851-1852 raadslid van Capelle aan den IJssel en daarna tot zijn dood wethouder van deze gemeente.

Geschiedenis van het gebouw

De ouderen die vanaf 1898 in het gebouw woonden werden verzorgd door een inwonend huismeestersechtpaar, ‘vader en moeder’ genoemd. Het geheel had veel weg van een gezinssituatie. Na zeven huismeestersechtparen werd het verzorgingstehuis vanwege nieuwe inzichten over huisvesting van ouderen gesloten. De overgebleven ouderen werden overgebracht naar een nieuw verzorgingstehuis. Er moest een nieuwe bestemming voor het pand gevonden worden. Deze werd gevonden in de vorm van het kosteloos verstrekken van huisvesting aan enkele maatschappelijke instellingen.

  • 1976: Het pand aan de Dorpsstraat 164 kreeg vanaf toen een veelzijdige bestemming. De Van Cappellen Stichting droeg het pand over aan de gemeente Capelle aan den IJssel. Het geheel werd als muziekschool in gebruik genomen. Het gebouw bleek in de praktijk echter niet geschikt voor dat doel; te klein en zeer gehorig.
  • 1999: De muziekschool verhuisde naar een nieuw onderkomen. Het werd stil rond het gebouw; het kampte met achterstallig onderhoud en het pand lag er verwaarloosd en verlaten bij. De angst leefde dat het gebouw een horecabestemming zou krijgen en daardoor zijn karakter zou verliezen. Het pand was toen al geregistreerd op de lijst van Rijksmonumenten. En niet alleen het gebouw, ook de honderdjarige beuk op de binnenplaats was opgenomen in het register van ‘Monumentale bomen’.
  • 2000: De buurtbewoners – verenigd in de Vereniging Oude Kern – voerden actie teneinde het pand te behouden en te voorkomen dat er een horecaonderneming in het pand gevestigd zou worden. Zij bereikten daarmee dat het pand niet zou verloederen en dat het beschikbaar zou blijven voor de Capelse bevolking. Vervolgens stelde de gemeente een ‘programma van eisen’ op. Hierin werd vastgelegd aan welke voorwaarden geïnteresseerden moesten voldoen om het gebouw te kunnen kopen. De belangrijkste eisen waren dat het pand gerestaureerd zou worden en dat het deels een culturele bestemming zou krijgen. Uiteraard moest de regentenkamer in tact blijven. Op het verlanglijstje van de gemeente stond ook ruimte voor het sluiten van huwelijken.

    Een voorstel dat voldeed aan deze eisen was afkomstig van de directie van het aan de Dorpsstraat 181 gevestigde bedrijf Maximum, in samenwerking met de Vereniging Oude Kern.
    Volgens dit voorstel wordt een eigendoms-bv gevormd (aandeelhouders Maximum Invest, de Vereniging Oude Kern en de Gemeente Capelle aan den IJssel) die het pand gaan exploiteren.
    Het voormalige oude mannen- en vrouwenhuis wordt een multifunctioneel gebouw met bedrijfs- en publieksruimtes, waar zowel permanente als tijdelijke gebruikers in kunnen. De tuin kan eveneens worden gebruikt voor exposities of voorstellingen.

  • 2007: Het pand is geheel gerestaureerd en intern aangepast aan de meest verregaande eisen op het gebied van uitstraling, inrichting, voorzieningen en ICT.

Bouwstijl

vancappellenhuis
Eind negentiende eeuw ontwierp Augustinus Nolen, voor de bouwkosten van fl 35.000 het pand aan de Dorpsstraat 164.
De architect meldde bij de indiening van zijn ontwerp dat hij, gezien het budget, rekening had gehouden met ‘den grootste eenvoud’. Dit betekent onder andere dat het gebouw destijds gewaardeerde details als glas-in-loodramen, gekleurde tegeltjes en gebeeldhouwde plafonds miste. Toch waren er opvallende onderdelen in het interieurontwerp, zoals een massief eiken voordeur met koperbeslag, een ruime vestibule en hal en een brede trap met balustrade.

In de negentiende eeuw grepen architecten graag terug op oudere, klassieke bouwvormen. Augustinus sloot zich bij deze trend aan. Het gebouw is ontworpen in de neo-renaissancestijl. Deze stijl wordt gekenmerkt door de bouw in baksteen, verdeeld door horizontale banden in contrasterende stenen en trapgevels. Ook de zadeldaken met dakkapellen en de bogen met natuurstenen sluitsteen zijn daar kenmerken van. Het Vredespaleis in Den Haag is een van de duidelijkste voorbeelden van negentiende-eeuwse Hollandse neorenaissance.

Voor meer informatie over de historie van het gebouw verwijzen wij u naar het boek “De geschiedenis van de Van Cappellen Stichting. Van behoeftigen bejaarden naar algemene belangen”, verkrijgbaar bij de Historische Vereniging Capelle aan den IJssel.

Capelle in de 20e eeuw

O.A.O.M. – Gebroeders VAN GOG (1923 – 1967)

In 1923 richtten de broers Leen en Wim van Gog uit Capelle a/d IJssel de “Onderlinge Auto Omnibus Maatschappij”
(O.A.O.M) op en startten in het voorjaar een autobusdienst tussen Rotterdam en Gouda via Capelle, Nieuwerkerk en Moordrecht.

Gebr.vanGog-18

” Opening Garage Kanaalweg 120 circa 1930 ”

  • Op 3 september werd een tweede buslijn gestart, van Rotterdam via Oud-Verlaat naar Zevenhuizen. In de loop van de jaren ’20 traden ook de broers Klaas en Arie toe tot de firma. Er werd begonnen met enkele T-Fords, daarna volgden een G.M.C. en twee Latils. Vanaf najaar 1925 was De Dion Bouton gedurende een aantal jaren het vaste huismerk. Alleen in 1930/31 werden een G.M.C. en twee Studebakers aangeschaft.

    Toen De Dion Bouton medio jaren ’30 de productie staakte vond men dat bij van Gog niet echt prettig. Men probeerde aanvankelijk het DDB-tijdperk te rekken; zo werden tussen 1932 en 1938 maar liefst zeven DDB’s voorzien van een tweede carrosserie. Daarnaast werden in die tijd diverse lijndienstwagens van een dieselmotor voorzien; dit leverde een aanzienlijke brandstofbesparing op.

    Ondanks de crisisjaren floreerde het bedrijf. Naast de dienst op de drukke hoofdlijn Rotterdam – Gouda werd ook veel toerwerk verricht, niet alleen in Nederland, ook het Duitse Ahrdal en het Franse Lourdes waren regelmatig terugkerende bestemmingen.

  • In 1923 begon men met een 1½-uurdienst op Rotterdam – Gouda; de lijn naar Zevenhuizen werd eens in de 2½ uur bediend. De lijn Rotterdam – Gouda was zo’n succes dat reeds in 1927 een starre uurdienst werd gereden. Zomer 1928 werd op dinsdag, woensdag, donderdag en op zaterdagmiddag een tussendienst ingevoerd op het traject Rotterdam – Kortenoord Veer, waardoor op dit gedeelte een halfuurdienst ontstond.
  • In 1933 was het vervoer dermate gestegen dat (behalve op maandag en vrijdag) de gehele lijn elk half uur bereden werd! De bus naar Zevenhuizen reed inmiddels om de 2 uur; op de van “De Ster” overgenomen lijn Rotterdam – Nieuwerkerk werd om de drie kwartier gereden. In de oorlogsjaren ging de frequentie door vordering van bussen en beperking van brandstofgebruik snel omlaag.
  • De dienstregeling van 7 oktober 1940 gaf nog slechts een uurdienst op de hoofdlijn; de komst van de nieuwe Volvo’s 9 en 16 maakte dat er in de dienstregeling van 11 november 1940 in de spitsuren weer ruimte was voor enkele extra diensten tussen Rotterdam en Capelle Schenkel.
  • In 1934 werd het autobusbedrijf “De Ster”overgenomen. Deze onderneming bereed sinds 1922 het traject Rotterdam – Nieuwerkerk v.v. via de ‘s-Gravenweg. Voor van Gog kwam de overname op een uiterst gunstig tijdstip, want juist op 15 mei 1935 sloten de Nederlandsche Spoorwegen alle stations en haltes tussen Rotterdam en Gouda.
    Het station Nieuwerkerk en de haltes Capelle en Kralingsche Veer lagen allemaal op korte afstand van de ‘s-Gravenweg, de in Nieuwerkerk gelegen halte Ouderkerk bevond zich sinds 1925 zelfs op de locatie “Scheve Overweg” zodat trein en bus elkaar daar kruisten!
  • Toen in het begin van de oorlog de dienst naar Zevenhuizen via Oud-Verlaat op overheidsbevel moest worden gestaakt, werd de voormalige Ster-lijn doorgetrokken naar Zevenhuizen, doch deze situatie duurde slechts kort. Uit een document, gedateerd 15 mei 1942 blijkt dat van Gog nog slechts vergunningen had voor de hoofdlijn Rotterdam – Gouda en het traject Rotterdam – Nieuwerkerk via de ‘s-Gravenweg. Na de bevrijding reed men wel weer door naar Zevenhuizen.
  • Toen in oktober 1946 de dienst via Oud-Verlaat werd hervat kreeg Zevenhuizen op werkdagen een uurdienst: het ene uur via Oud-Verlaat, het andere uur via Nieuwerkerk. Al tijdens de mobilisatie en in het begin van de oorlog werden reeds diverse bussen – al dan niet tijdelijk – door de autoriteiten gevorderd.

    Van de in september 1944 nog aanwezige bussen werden vitale onderdelen op verschillende locaties verborgen. Na de bevrijding kwamen enkele bussen terug; samen met de nog aanwezige exemplaren werden ze provisorisch opgelapt. Zes bussen overleefden de oorlog.

  • In de jaren ’50 kwam het bedrijf wederom tot grote bloei. Behalve het groeiend aantal passagiers op de hoofdlijn Rotterdam – Gouda liep ook het toerwerk als een trein. Tussen 1955 en 1963 werden dan ook 17 speciale toerwagens aangeschaft, met kapruiten voor een beter uitzicht en deels ook voorzien van luxueuze stoelen met hoofdsteunen. De overige wagens werden in hun eerste levensjaar meestal ook als toerwagen gebruikt en daarna op de lijndienst ingezet.
  • Vooral in de periode 1953-1962 was er bij van Gog een zeer snelle doorstroming van het materieel; de meeste wagens werden in die tijd al na 4 à 5 jaar doorverkocht en vervangen door nieuwe bussen!

    Dat het bedrijf toen goed liep bleek wel uit het feit dat nieuw aangekochte bussen in die jaren meestal contant betaald werden. In 1962 werd het bedrijf omgezet in een familie-N.V. De letters O.A.O.M. verdwenen geleidelijk van de bussen en men presenteerde zich als “Gebr. van Gog N.V.” In december 1958 werd een korte lijn (16A) geopend van het Ambonezenwoonoord “IJsseloord”via Capelle Dorp naar Schenkel (garage).

  • In februari 1963 volgde lijn 16B, die de nieuwe Capelse woonwijk Middelwatering verbond met Schenkel en vandaar als lijn 16 op de hoofdlijn doorreed naar Rotterdam CS. Op dit traject werd heftig geconcurreerd met de RET die via de Ketense Dijk en Kralingse Veer ook tussen Middelwatering en Rotterdam centrum reed. Een groot verschil was het gebruikte materieel; de RET reed op lijn 34 met Saurers uit 1950, van Gog zette juist zijn nieuwste wagens uit de serie 87-92 in op lijn 16B!

van-gog-77a-volvo-1960-77

Door allerlei maatschappelijke veranderingen werden de vooruitzichten voor het bedrijf halverwege de jaren ’60 wat minder rooskleurig. Zo werden in 1964 voor het eerst sinds 1946 de tarieven verhoogd en een bestelling op twee luxe Volvo toerwagens werd geannuleerd. Wel werd vrijwel het gehele wagenpark in 1964-1965 in de nieuwe huisstijl overgeschilderd waardoor het bedrijf toch een modern aanzien behield. De gezondheid van de beide gebroeders Leen en Arie (Klaas overleed in 1950 en Wim in 1961) was niet meer optimaal en binnen de familie waren geen gegadigden voor de opvolging.

In 1957 was met het aangrenzende vervoersbedrijf “Citosa” afgesproken dat, als van Gog ooit zou verkopen, dat aan Citosa zou zijn. Tien jaar later, op 1 oktober 1967 was het zo ver: van Gog werd onderdeel van NS-dochter Citosa. Bussen en personeel gingen over naar het nieuwe moederbedrijf, alleen de gebouwen bleven eigendom van de familie van Gog die de garage aan de nieuwe exploitant verhuurde.

Hiernaast een foto van wagen 89 van de Middelwateringlijn op het Slotplein bij het toen nieuwe gemeentehuis, gemaakt door C.J. de Koning in september 1967, de laatste maand waarin het bedrijf als zelfstandige onderneming bestond .

Toen in de jaren ’60 een nieuwe huisstijl werd ingevoerd bleven de oorspronkelijke kleuren wel gehandhaafd. De garage, vanaf de oprichting gevestigd aan de Capelseweg 34-36 werd al snel te klein. Eind 1930 verhuisde men naar nieuw bedrijfspand aan de Capelseweg 120; in 1951 en 1962 vonden op deze locatie verdere uitbreidingen plaats.

De spoorwegen

De jaren rondom 1920 kenmerkten zich door de opkomst van de particuliere autobusdiensten. In Nieuwerkerk waren actief de STER (Nieuwerkerk – Rotterdam via de ‘s-Gravenweg) en Gebr. van Gog (Rotterdam – Gouda). De autobusdiensten boden, zeker op het platteland, veel voordelen boven het reizen per trein. De bussen kwamen in de dorpskernen terwijl de stations er vaak ver buiten lagen. Capelle, Ouderkerk, Nieuwerkerk en Moordrecht waren allemaal schoolvoorbeelden van deze situatie.

Bovendien reden de bussen veel frequenter (vaak een uurdienst of meer) dan de trein die slechts enkele malen per dag op de kleinere stations stopte. Ook was het vervoer per bus goedkoper dan een treinkaartje. Dit alles leidde tot een neerwaartse spiraal bij het spoorwegverkeer in kleinere plaatsen; zo stopten in 1934 te Nieuwerkerk en Moordrecht nog slechts 3 treinparen per dag en in Capelle zelfs maar twee! Vanaf 15 mei 1935 werd het reizigersvervoer op alle stations tussen Rotterdam en Gouda stopgezet.
Met dank aan Hans de Vlaming

Zie hier de website van Hans de Vlaming.

Scheepswerf A.Vuyk & Zonen’s scheepswerven 1872 – 1979

Capelle aan den IJssel kende begin 20e eeuw een aantal scheepswerven aan de rivier , zoals Wed. A. Duyvendijk, Vuyk, Hoogendijk en Kalkman.
De meest bekende scheepswerf was ongetwijfeld de scheepswerf A.Vuyk & Zonen te Capelle a/d IJssel (tot 1979) opgericht op 15 decemnber 1872 door Adrianus Vuyk, scheepsbouwmeester, geboren op 26-09-1839 te IJsselmonde.

De reparatiewerf

Scheepswerf Vuyk beschikte in eerste instantie op het toenmalige Keeten over een buitendijkse scheepsreparatiewerf, werf 1 genaamd. Deze werf beschikte over een langshelling van 90 meter en telde 30 arbeiders. Aanvankelijk werden er alleen kleinere houten binnenvaartschepen gebouwd. Tot 1878 waren dit er 45 in getal. Het eerste stalen schip was de “Immanuel ” van 605 ton voor Reederij Gebr. Ossendrijver te Rotterdam. Vele Duitse rijnrederijen lieten hun schepen bij Vuyk bouwen. De zaken gingen voorspoedig, zodat in 1885 een dwarshelling werd aangelegd. Dit bood de mogelijkheid om lichters te repareren en grotere schepen te bouwen.

Vuyk01

De reparatiewerf was gelegen in Capelle-West aan de Nijverheidstraat en op dat terrein zijn nu gevestigd : Breijs en garage Goudriaan.

De nieuwbouwwerf

In 1897, 12 jaar later, werd door Adrianus Vuyk een stuk grond aangekocht, dat enkele kilometers hogerop aan de IJssel, naast de toenmalige betonfabriek van Feenstra, was gelegen. Het terrein was eigendom van de voormalige Scheepswerf Van Dijk, die recent failliet was gegaan. Hier liet Adrianus Vuyk een scheepshelling aanleggen.
Hierop werd het eerste zeegaande schip gebouwd en overgedragen aan de Engelse eigenaar. Deze werf zou de geschiedenis ingaan als werf 2 of nieuwbouwwerf, gelegen aan de Dorpsstraat en het oude, geel gekleurde, directiekantoor, thans het Vuykhuis geheten, staat er vandaag nog steeds….

Vuyk02

amstelmeer 1956

Familiebedrijf

Bij de jaarwisseling 1905 – 1906 worden de drie zonen van de directeur in het bedrijf opgenomen : Leendert, Pieter en Wouter Vuyk en de firma A. Vuyk & Zonen wordt opgericht. In 1908 was het personeelsbestand opgelopen tot circa 180 man : voornamelijk ijzerwerkers en klinkers..In die jaren begon de arbeiders in de zomer s’ochtends om 05.00 uur en eindigden s’avonds om 19.00 uur. s’Winters waren de arbeidstijden van 07.00 uur tot 20.00 uur. Als er geen werk was, kregen de arbeiders ook geen loon!

Er waren in die tijd nog geen kranen, scheepsplaten werden op het terrein door mankracht naar het schip gerold. Ook kende men regenverlet : als het 2 uur achtereen regende, werd het werfpersoneel naar huis gestuurd.

In 1910 overlijdt Adrianus Vuyk. Het bedrijf wordt op de oude voet voortgezet door de drie broers. Waren het aanvankelijk de rijnrederijen, later wordt Maatschappij Vinke & Co een grote opdrachtgever. De grootste schip in die tijd was de ” Aalsum ” van 8500 ton, maar ook schepen als de ” Hilversum “, de ” Oostmarsum ” en de ” Wolsum ” waren met hun 6300 ton voor die tijd toch al flinke schepen !

De Eerste Wereldoorlog

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 lag de ” Larenberg ” van 5500 ton op de helling. Daar er door de mobilisatie maar met mondjesmaat werd gewerkt, is dit schip daar al die oorlogsjaren blijven liggen. De plaatselijke bevolking, die gewend was aan een regelmatige afbouw van schepen, kon dit maar moeilijk begrijpen.

Vooral de lokale bakker had het hier erg moeilijk mee. In plaats van over het weer of over de toestand in de wereld te beginnen, was hij van zijn klanten alleen maar benieuwd of ” dat schip er nou ooit af ging ?”.
Op de schepen werd in die tijd gewerkt bij het licht van “snotneuzen”, dit waren lampen in de vorm van oliespuitjes met een in petroleum gedrenkt katoenen lap in de tuit. Electriciteit op de werf werd geleverd door een eigen generator.

De economische terugval na 1918 leidde tot instorting van de vrachtenmarkt en de directie besloot terug te vallen op de bouw van rivierschepen. In 1922 kon de werf haar 50-jarig jubileum vieren. Bij die gelegenheid werd door het personeel aan de directie een staande klok aangeboden. Voor dit cadeau was van te voren centraal gespaard. Ondanks de economische misère werd op die dag voor de eerste keer champagne geschonken. Pas in 1928 werd voor het eerst maal weer een zeevarend schip van 9500 ton gebouwd.

In die jaren nam vooral de reparatiesector toe, hierbij werd in 1931 de bestaande dwarshelling helemaal gemoderniseerd en electrisch ingericht, zodanig dat ” aan alle eischen des tijds werd voldaan “. Maar de hele Nederlands economie stond midden in de crisistijd, men vreesde dat alle nieuwbouw voorgoed voorbij was.

De nieuwbouwwerf moest in de jaren 1932 – 1934 haar poorten helemaal sluiten en op de reparatiewerf werd om de 2 weken gewerkt, er kon aan niet meer dan 60 man werk worden geboden….. Dit zou tot 1935 duren. Op 1 juli 1936 werd het eerste schip na de crisis opgeleverd aan de eigenaar. Het was de ” Koninging Emma ” . Het zou worden ingezet om de dienst te onderhouden tussen Suriname en Brits Guyana. Het schip was 50 meter lang en 8 meter breed en bood plaats aan 30 passagiers in de kajuitklasse en 100 dek-passagiers.

In april 1934 waren drie kleinzonen van de oprichter in de firma opgenomen : Adri Wzn Vuyk (Reparatie), Pieter Wzn. Vuyk (Nieuwbouw) en Pieter Pzn. Vuyk (Financiën). Tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd er in Capelle driftig gebouwd. Zo vond op 19 mei 1939 de proeftocht plaats met het s.s. ” Jonge Willem ” , een stoomschip met een laadvermogen van 3000 ton.

De Tweede Wereldoorlog

De toenmalige directie werd in bezettingstijd door de Duitsers gedwongen gewoon door te gaan met schepen bouwen. Echter, op de eisen van deze ongewenste klant volgde aangepast ‘ gedrag ‘ door de werfarbeiders. Dat er aan sabotage gevaren verbonden waren en dat de strafmaatregelen door de bezetter niet gering waren, is welbekend. Op een dag bleken er 8 zakken kolen ‘ verdwenen ‘. Bij het niet terugbezorgen van de kolen, zoud er voor elke verdwenen zak kolen een werknemer worden doodgeschoten. Gelukkig kon de zaak tijdig worden geregeld. In 1944 is het kantoor van de Nieuwbouw afgebrand.

Na de oorlog kon Nederland zich weer bezig houden met de wederopbouw van de scheepsbouw. Twee van de grootste concurrenten , Duitsland en Japan waren platgelegd. Vuyk was een van de eerste Nederlandse werven met een nieuwbouwopdracht. Het nieuwe kantoor werd in 1947 gebouwd aan de overkant van de dijk. Het werd een deftig, stenen gebouw. De werf bestond in dat jaar ook 75 jaar. In 1948 werd de timmerloods op de nieuwbouwwerf door brand verwoest.

Intussen waren de weilanden beneden aan de dijk geëgaliseerd en bouwrijp gemaakt en zo kon bij het nieuwe kantoor een nieuwe timmerloods worden gebouwd. In 1950 wordt op de reparatiewerf een nieuwe dwarshelling aangelegd en werden nieuwe electrische torenkranen aangeschaft.

Banka

De m.s. ” Banka “, bouwnummer 727, was een kolos was 150 meter lang en mat 11.250 ton. De voorzijde van het nieuwe schip lag precies 5 meter van de dijk af. De Banka wordt opgeleverd in 1952. In dat historische jaar wordt bij de Capelse notaris, Mr. Drapers, de akte gepasseerd, waarbij de naam Firma A.Vuyk en Zonen wordt omgezet in A. Vuyk & Zonen’s Scheepswerven N.V.

amstelmeer 1956

m.s. “Amstelmeer” 8.377 brt gebouwd in 1956 bij A. Vuyk Capelle aan den IJssel

 Vuyk bedrijfsvlag tot 9 december 1977
Het gaat dan goed met de werf. De orderportefeuille in de jaren ’50 is goed gevuld, een nieuwe lasloods wordt gebouwd, een Sociaal Fonds opgericht. Op 2 januari 1961 een nieuwe mijlpaal : de 45-urige werkweek wordt ingevoerd en ook de vrije zaterdag doet haar intrede. Donkere wolken pakken zich echter langzaam samen. Als gevolg van de Watersnoodramp in 1953 komt er een grote sluis (De Algera-sluizen) richting de open verbinding met de Noordzee en de rivier de IJssel zelf wordt deels gekanaliseerd. In 1960 vaart het eerste nieuwsbouwschip van Vuyk door de Algera-sluizen. In 1967 wordt op de reparatiewerf een nieuw directiekantoor geopend, een prachtig grijs gebouw. De zestiger jaren verlopen verder zonder noemenswaardige problemen.

Sherakhan

Een van de in deze tijd gebouwde schepen is het motorjacht SHERAKHAN gedoopt in 1966. Dit superjacht bood slaaplaatsen voor 26 gasten aan boord en 19 bemanningsleden.

Nieuwe orders blijven uit ………..

Hierna gaat de Nederlandse scheepsbouw langzamerhand de concurrentie – vooral uit Japan – voelen. De hogere lonen en de harde gulden maken de concurrentie-positie steeds moeilijker.
Op de reparatiewerf worden de twee langs=hellingen aangepast aan de verandering van het getij door de komst van de Deltawerken. De viering van het 100-jarig bestaan heeft helaas niet feestelijk mogen zijn : op 11 oktober 1972 wordt surseance van betaling aangevraagd. Door vertraging van levertijd bij een grote Zweedse order bleken de oorspronkelijk berekende prijzen niet meer haalbaar en moesten aanzienlijk verliezen worden geaccepteerd.

Nieuwe orders bleven uit. Het loyale personeel besloot voortaan een half uur per dag gratis te gaan overwerken, een unicum in die dagen. In 1975 kon eindelijk worden begonnen aan de afbetaling van de eerste 20% van de schulden aan de grote schuldeisers. Na 3 jaar kon op 30 december 1975 het einde van de surseance worden aangekondigd.

In 1972 bestond de werf 100 jaar, maar vanwege de slechte financiële postitie werd er een sober jubileumfeest gevierd. Wel kreeg al het personeel een oorkonde en een gouden tientje. 5 jaar later vierde de werf nog wel feestelijk haar 105-jarig bestaan. In dat jaar wordt het grootste schip gebouwd : het Zwitserse schip ” Anzère ” een schip van 152 meter lengte.

Maar per 1 oktober 1979 viel het doek definitief voor de scheepswerf. Volgens directeur ir. E.D. Vuyk had de werf het zelfs niet met overheidssteun kunnen volhouden. De laatste 300 arbeiders die bereid waren om aan het werk bij de werf Van der Giessen – De Noord, aan de overkant van de rivier, aan de slag te gaan, kregen een laatste, eenmalige uitkering van 2000 gulden.

Documentatie

Helaas is bij de brand in 1944 veel historisch materiaal over de scheepswerf verloren gegaan, maar over de geschiedenis van de werf bestaat een jubileumboekje 1872 – 1977. Het bedrijf wordt thans nog steeds voortgezet, maar nu als advies- en tekenbureau, gevestigd aan De Tochten in het oude raadhuis.

Met onze hartelijke dank aan Piet Vuyk voor zijn bijdrage 2004

Albatros Superfosfaatfabriek (A.S.F.)

Een nieuwe tak van industrie, begin 20e eeuw, was de kunstmestproductie op basis van zwavelzuur. De productie van superfosfaat start in Nederland in 1875 te Capelle a/d IJssel. Eind negentiende eeuw werden in Nederland drie kleinschalige superfosfaatfabrieken opgezet: in 1875 Salomonson in Kralingserveer te Capelle aan de IJssel, in 1882 Coenen en Schoenmakers in Uden en Van Hoorn, Luitjens en Kamminga in Groningen. In 1948 werden na wat fusies in deze branch de fabriek ondergebracht in één vennootschap onder de naam ‘Albatros Super-fosfaatfabrieken’ (A.S.F.).

Later werd de naam gewijzigd in de Unie Kunstmest Fabrieken UKF, zo heeft de kunstmestfabriek achtereenvolgend de volgende namen gehad : Albatros, UKF, DSM en Kemira. De fabriek was gevestigd in Kralingse Veer aan de Schaardijk. Inmiddels is de fabriek ter ziele.

Voor het vervoer van zwavelzuur van en naar fabrieken in Duitsland en Belgie beschikt de A.S.F. omstreeks 1949 over een eigen binnenvaartvloot, met schepen als de Assam 1, 2, 3 en 4 en de Albatros 1, 2, 3 en 4.
Eerste schipper aan boord van de Assam II is schipper de Jong en voorin stuurman Jan Tempelaars met zijn vrouw (tante Jopie).


“Toen mijn man en ik aan boord kwamen was het schip als nieuw, wij woonden in de voorroef, een klein maar prachtig verblijf”.

Maar wel gevaarlijk was de lading, vooral tijdens het laden en lossen.

“In Amsterdam zag ik ineens een bulb ontstaan in de slang die direct opensprong. Het zwavelzuur verteerde zelfs de verf op dek. Jan Tempelaars kreeg het zuur zelfs over zich heen en sprong gelijk in het water”, zegt de heer Silvius. “Zonder broek en hemd kwam die eruit, maar gelukkig had die geen brandwonden”. Mevrouw Tempelaars herinnert zich dat ook nog. “We vroegen aan de directie nieuwe kleren,
maar deze zeiden dat Jan toch zeker geen nieuwe kleren aan dek droeg? Kreeg die gewoon een tweedehands broek terug!”

Portaalkranen

Op het fabrieksterrein waren twee portaalkranen werkzaam : de Fabriton Portaalkraan No 2198 en eenzelfde exemplaar No 2199. De beide kranen, in 1968 door Conrad Stork in Haarlem gebouwd, werden eerst gebruikt voor de Albatros Superfosfaatfabriek bij Kralingse Veer en na sluiting naar de Laakhaven vervoerd.

Albatros Superfosfaatfabrieken

Albatros Superfosfaatfabrieken is de naam van een door fusie ontstane maatschappij die superfosfaat en zwavelzuur produceerde.
De productie van superfosfaat begon in Nederland in 1875, toen Salomonson in Capelle aan den IJssel een kleinschalige superfosfaatfabriek bouwde. Deze fabriek werd in 1895 omgedoopt in Centrale Guanofabrieken (CGF). Deze stelde in 1904 en 1910 zwavelzuurfabrieken in werking.
In 1882 werd deze gevolgd door Coenen & Schoenmakers te Uden en door Van Hoorn, Luitjens en Kamminga in Groningen.
In 1895 kwam te Zwijndrecht een grootschaliger fabriek tot stand, de Internationale Guano en Superphosphaat Werken. Deze fabriek maakte eveneens het voor het proces benodigde zwavelzuur aan.
In 1907 werd de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek (ASF) opgericht.
In 1910 werd de Pernis de Superfosfaatfabriek “Holland” gestart, die in 1913 door ASF werd overgenomen.
In 1915 vond een fusie plaats tussen de Zwijndrechtse en de Groningse fabrieken en ontstonden de Vereenigde Chemische Fabrieken (VCF).
In 1917 fuseerden ASF en VCF tot ASF-VCF, dat in 1948 werd omgedoopt tot Albatros Superfosfaatfabrieken.
De vestiging in Groningen werd in 1917, die in Zwijndrecht in 1941 stilgelegd.

Verdere ontwikkeling

In 1959 richtte Albatros, samen met het Amerikaanse bedrijf CMC, de Albatros Zwavelzuur en Chemische Fabrieken op, waar zwavelzuur werd geproduceerd uit pyriet. In hetzelfde jaar kwamen beide fabrieken in bezit van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie, die later opging in het AkzoNobel concern. Uiteindelijk fuseerde Albatros in 1962 met Mekog in IJmuiden tot de Verenigde Kunstmestfabrieken Albatros-Mekog ofwel VKF. Zie voor de verdere geschiedenis bij Mekog.
De ken bestaan opbouwen. Het spreekt voor zich dat er in die tijd nog weinig rekening werd gehouden met het milieu van de omwonende burgers, de bodem en de gezondheid van de werknemers in die tijd.

Op de rivier de IJssel werd gewoon geloosd en met name de beruchte fosfaatfabriek heeft een ware aanslag op het milieu gepleegd, een erfenis waar wij nog steeds de wrange vruchten van mogen plukken.

Capelle tijdens de Tweede Wereldoorlog (I)

Bron : Nico van ’t Hart

Het verzet in Capelle a/d IJssel werd vanaf september 1944 georganiseerd uitgevoerd. Alle verzetsgroeperingen in Nederland werden toen samengebracht in één organisatie, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten onder commando van prins Bernhard.

Daarvoor werd door groepen al wel incidenteel verzet geboden, zoals het verzorgen van ondergedoken joden, mensen die hadden moeten onderduiken omdat ze geweigerd hadden in Duitsland te gaan werken en spoorwegstakers.

Er waren mensen die in het geheim luisterden naar de Engelse radio-uitzendingen (het bezit van een radio was verboden) en mensen die verboden wapens in hun bezit hadden. Ook werden illegale bladen verspreid.

Er werden 4 verzetsgroepen gevormd en wel in Het Dorp, Schenkel, Capelle-West en de Kralingseweg. De leiding van deze groepen was in handen van de heren Feenstra en veldwachter Van Rey. Eerst kwam men bijeen aan de Kanaalweg 50, waar een wapendepot was en wapeninstructie werd gegeven. Later werden de door de vliegtuigen uitgeworpen wapens, die door de verzetsmensen van het centrale depot in Rotterdam naar Capelle werden vervoerd, verborgen in het bedrijf van de heer Feenstra. Hier werd ook geoefend.

Iedere groep kreeg de voor de acties benodigde wapens in beheer. Nico van ’t Hart was mede belast met de leiding van de groep Schenkel. In het huis van de familie aan de Bermweg waren, behalve wapens en springstoffen, ook illegale bladen en een radio verborgen.

Ook werd hier regelmatig instructie gegeven. Bij één van deze bijeenkomsten werd per ongeluk een schot gelost, waardoor in de keuken een tegel aan stukken ging. Toen mensen uit de buurt vroegen waar de knal, die ze hadden gehoord, vandaan kwam, werd het klappen van een fietsband als reden opgegeven.

Op een dag in de winter 1944-1945 kwamen 2 Duitsers in burger, in opdracht van Den Haag, huiszoeking doen. Er zou een radio in huis zijn. Alles werd overhoop gehaald, maar alle verboden zaken waren zo goed verborgen dat niets werd gevonden. Gelukkig was de onderduiker, die bij de familie woonde, op het moment van de huiszoeking in de tuinderij van Nico aan het werk, zodat ook hij niet werd gevonden. Later werd de radio wel ontdekt, maar voor 2 flessen jenever “teruggekocht”.

Een van de door de groep ondernomen acties was in januari 1945. Er werden op de Hoofdweg z.g. bandenbommen gelegd, die met zand werden bedekt. De bedoeling hiervan was dat ze zouden ontploffen als er een auto overheen reed. Er ontstond een benarde situatie toen er al een Duitse auto over een bommetje reed en hierdoor werd beschadigd, terwijl de leden van de groep nog bezig waren. Ze renden het weiland in en kwamen drijfnat terug aan de Bermweg.

Op een gegeven moment nam een jonge Duitse militair contact op met de familie Van ’t Hart. hij wilde deserteren en vroeg om hulp. Een onderduikadres werd geregeld, maar hij kwam niet terug. Bij voorzichtige navraag werd gezegd dat hij verdwenen was. Men vermoedt dat de Duitsers lucht hadden gekregen van zijn overlopen en dat hij was doodgeschoten.

Toen Nico eens op de fiets naar Waddinxveen was geweest om zaad voor zijn tuinderij te halen, werd hij in Moordrecht door Duitsers gearresteerd en naar Gouda overgebracht. Zijn vrouw Truus ging, toen ze hiervan hoorde, naar een oom van Nico om hulp. Inderdaad lukte het hem Nico vrij te krijgen. De tegenprestatie kwam toen de oorlog bijna was afgelopen.

Door de leden van de groep werd een lijst opgesteld met de namen van N.S.B.’ers en anderen, die de Duitsers hand- en spandiensten hadden verleend, die bij de bevrijding moesten worden opgepakt. Op verzoek van Nico en Truus zijn toen de namen van de vrouw en dochter van de oom van de lijst geschrapt. De bewuste N.S.B.’ers en anderen werden, toen de capitulatie van Duitsland een feit was, door de groep gearresteerd en in de school aan de Kanaalweg opgesloten. In oktober 1983 ontving de heer Nico van ’t Hart in de burgerzaal van het Haagse gemeentehuis het Verzetskruis uit handen van Prins Bernhard.

Capelle tijdens de Tweede Wereldoorlog (II)

Bron : Henk Anker

Op 10 mei 1940 was onderofficier Henk Anker sectiecommandant bij de zware mitrailleurs en gelegerd in Mill. Bij de gevechten liep een Duitse pantsertrein vast en kwam terug. 2 Nederlandse bataljons waren reeds teruggetrokken en de Duitsers maakten gebruik van de door de Nederlanders tijdens de mobilisatie gegraven loopgraven en schuttersputten. (zie ook: Tien Capelse oud-militairen over de meidagen 1940) De Nederlanders moesten zich al vechtend tot in België terugtrekken, maar ontkwamen aan gevangenneming.

In juni 1940 was Henk Anker terug in Capelle, nog steeds in het bezit van zijn FN 9 mm pistool. Toen de Nederlandse militairen, die inmiddels weer burgers waren, zich in juni 1943 moesten melden voor krijgsgevangenschap, dook hij onder. Eerst in Schiedam en later in Boskoop, waar hij in contact kwam met het verzet. Met Pinksteren 1944 was hij terug in Capelle-West (Keten).

De B.S. Capelle (Binnenlandse Strijdkrachten) was ingedeeld bij de regio Rotterdam. Wapens en springstoffen werden door Engelse vliegtuigen afgeworpen op een terrein bij Berkel en Rodenrijs en werden verzameld in het depot bij de Noorderbrug (het vroegere Heinekenterrein). Vandaar werden ze naar verschillende plaatsen vervoerd, o.a. naar Henk Anker thuis op zolder. Vanzelfsprekend was dit vervoer een gevaarlijke zaak: men moest steeds bedacht zijn op verraad. Het vervoer gebeurde met een bakfiets, waarbij de wapens met een zeil of iets dergelijks waren bedekt.

Op een keer lukte het de mannen niet de bakfiets tegen de gladde besneeuwde helling van de Ceintuurbaan bij de ‘s-Gravenweg op te duwen Tot hun schrik en later verbazing kwamen enkele Duitse soldaten vragen of ze konden helpen en met hun hulp lukte het inderdaad de hol te nemen en verder veilig in Capelle te komen.

In de laatste oorlogswinter gaf de heer Anker wapeninstructie aan B.S.’ers. Dit was belangrijk omdat het de bedoeling was om, als de geallieerden naar hier optrokken, aan hun zijde tegen de Duitsers te vechten. Toen was natuurlijk nog niet bekend dit het Duitse leger zich zou hebben overgegeven voor de Geallieerde troepen het westen van het land hadden bereikt. Wel is dit het geval geweest in het zuiden, oosten en noorden van het land, waar B.S.’ers in overall zij aan zij met geallieerde soldaten tegen de Duitsers optrokken.

Op 7 oktober 1944 ’s morgens om half zes werd door de K.P. Capelle (knokploeg), in opdracht van Rotterdam, de spoorlijn in Nieuwerkerk aan den IJssel, net voorbij de grens met Capelle opgeblazen. De Duitsers waren bezig tanks op treinen te verplaatsen naar het oosten, waar ze de geallieerde opmars probeerden te stoppen.

Henk Anker: “we gingen op de fiets naar de plaats waar de spoorlijn moest worden opgeblazen en gebruikten een springlading met een ontsteking, die pas na een paar uur zou afgaan. De volgende morgen vroeg mijn moeder mij of ik geen knal had gehoord. Ik antwoordde dat ik niets had gehoord. Ik had namelijk alweer lekker in bed liggen slapen toen de lading afging.”

Hij vervolgt: “Op de, dag van de bevrijding zagen we 5 Duitsers met een bootje, dat voor reparatie bij de fa. Olthof lag, richting Rotterdam vertrekken. Wij sommeerden de Duitse militairen onder bedreiging van onze wapens aan wal te komen en zodoende waren zij onze krijgsgevangenen. We moesten ze echter in opdracht van Rotterdam weer laten gaan. Alle Duitsers, die zich in de regio Rotterdam bevonden, werden namelijk in het Kralingse Bos in tenten ondergebracht en later op transport gesteld.”

Mevrouw Anker herinnert zich nog heel goed, dat op 5 mei de heer Olthof op zijn fiets de Ketensedijk af kwam met een rood-wit-blauwe vlag achter op zijn fiets gebonden, terwijl hij riep: “wij zijn vrij. wij zijn vrij”.

Na de oorlog werd Henk Anker opgenomen in het 1e bataljon van het Regiment Stoottroepen. Dit regiment werd gevormd door oud-verzetsstrijders. Eind 1945 vertrok hij als 1e luitenant via Engeland naar Nederlands-Indië. Hij verbleef tot 1948 op Midden Java.

Wilt u graag bijdragen aan deze pagina ?

De gegevens op deze website zijn nog zeker niet betrouwbaar of historisch correct genoeg. Wij nodigen u graag uit een bijdrage aan de inhoud te leveren. Dat kan bij voorkeur via email info@capelsewijken.nl

Historische Vereniging Capelle aan den IJssel


Ook verwijzen wij u graag naar de website van de Watersnoodramo Capelle Historische Vereniging Capelle aan den IJssel (HVC).
Bron : Internet @ 2004

Capelle en de watersnoodramp van 1953

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werd Nederland getroffen door een watersnoodramp. Een zware noordwesterstorm raasde over de Noordzee en Nederland. De provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en de zuidwest hoek van de provincie Noord-Brabant werden zwaar getroffen.

De trieste balans na de watersnoodramp gaf aan dat 1835 mensen en tienduizenden stuks vee waren verdronken. Duizenden gebouwen waren verwoest of beschadigd en duizenden mensen moesten elders onderdak vinden De watersnoodramp was zonder twijfel de ergste natuurramp in Nederland van de vorige eeuw.

Ook Capelle en de Krimpenerwaard werden verrast door het hoge water. Het was de Schielandse Hoge Zeedijk die, ter hoogte van Hitland tussen Capelle en Nieuwerkerk aan den IJssel, onder de druk van het water bezweek. Er ontstod een gat van 14 meter lengte. Op bevel van de burgemeester is dat gat met behulp van het achttien meter lange binnenvaartschip Twee Gebroeders van de Krimpense schipper Arie Evegroen uit Ouderkerk gedicht. Het schip werd met de kop tegen de dijk gezet en vervolgens zwenkte de achtersteven naar het gat. De natuur deed de rest, het schip klapte als een sluisdeur tegen de kant en zoog zich – door de enorme stroming – in het gat vast. Vervolgens werd meteen begonnen rondom de Twee Gebroeders zandzakken te storten. Aan de dijk staat thans een mooi monument ter herinnering aan het feit dat op deze wijze de overstroming van een groot deel van centraal Zuid-Holland werd voorkomen.

Dijkversterking dijk van Capelle aan den IJssel tijdens de watersnoodramp 1953
Als dit schip er niet had gelegen, was de Randstad tot aan Leiden toe ondergelopen. De Prins Alexanderpolder, die zes meter onder NAP ligt, zou dan minimaal tien meter onder water hebben gestaan.
 Monument op de Dijk ter nagedachtenis aan de ramp in 1953

Het vervolg

Na de ramp wordt snel een politieke beslissing genomen over het deltaplan. Omdat de Schielands Hoge Zeedijk, die miljoenen mensen tegen het water moest beschermen, het maar krap had gehouden, werd dit probleem als eerste aangepakt.
Er werd gekozen voor de bouw van een beweegbare stormvloedkering bij Krimpen aan den IJssel. Zowel de scheepvaart als de waterhuishouding werden hierdoor zoveel mogelijk ontzien.

Algerabrug opening
Algerabrug , eerste stormvloedkering 1958″

De waterkering bestaat uit twee brede, stalen schuiven, die hangen tussen twee betonnen torens. Normaal gesproken zijn de schuiven open, zodat het scheepvaartverkeer onder de schuiven kan doorvaren en het getij zijn natuurlijke loop heeft. Slechts in extreme noodgevallen worden de twee schuiven neergelaten, om de tachtig meter brede rivier de IJssel geheel af te sluiten. De scheepvaart kan in dat geval gebruikmaken van de naast de kering gelegen schutsluis.
Deze sluis meet 120 bij 24 meter, zodat ook grotere schepen zonder problemen kunnen passeren. De brug over de stormvloedkering werd geopend op 22 oktober 1958 en werd vernoemd naar de kort daarvoor afgetreden Minister van Verkeer en Waterstaat : J. Algera.

Bron : Internet 2004

Capelle en het onderwijs

<

Naar aanleiding van het 60 jarig bestaan van de plaatselijke afdeling van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs (VOO) vroeg de voorzitter aan de heer Boef om een brochure te maken. In het afdelingsarchief bevond zich een interessant stukje sociale geschiedenis van Capelle. Als eerste bron gebruikte hij de notulen en andere stukken. Als tweede bron dienden de krantenleggers van de plaatselijke weekeditie van de “IJssel en Lekstreek” van de jaren 1928 tot 1943.
De geschiedenis van de VOO in Capelle is sterk gekoppeld geweest aan de opkomst van de arbeidersbeweging en de positie van de SDAP en later de PvdA in de gemeenteraad. Het is een verhaal geworden van jarenlange inspanningen voor een ideaal, dat ieder van de betrokkenen op zijn eigen wijze heeft proberen te dienen.

1 Achtergrond. Volksonderwijs en Capelle tot 1926

Het onderwijs was sinds de wet van 1806 een staatsaangelegenheid. Daarmee werd de traditionele invloed van de kerk op de opvoeding van de jeugd aanzienlijk beperkt. In het midden van de 19e eeuw begon een strijd om de financiële gelijkstelling van openbaar onderwijs en confessionele scholen. In 1866 richtten twee Friese schoolopzieners de landelijke vereniging ter bevordering van volksonderwijs op. Het voornaamste doel was de krachten te bundelen tegen de miskenning en verdachtmaking die de openbare scholen ondervonden van zich christelijk-nationaal noemende tegenstanders.
De Lager Onderwijs Wet van 1920 bracht weliswaar de gewenste financiële gelijkstelling, maar de controverse tussen aanhangers van bijzonder en openbaar onderwijs bleven bestaan. Deze spanningen vormen de achtergrond van de strijd van de onkerkelijke, moderne georganiseerde progressieve arbeiders tegen de orthodoxe christelijke krachten die de onderwijspolitiek bepaalden.

Dat de oprichting van de plaatselijke afdeling in 1926 pas 60 jaar na de landelijke vereniging ontstond is vermoedelijk een gevolg van demografische factoren waarbij de groei van onkerkelijke arbeiders van linkse signatuur achterbleef bij de landelijke ontwikkeling.

De eerste openbare school in Capelle werd gesticht in 1863 op het dorp. De tweede volgde in 1867 in Keeten (nu Capelle West). In de polder Prins Alexander was sinds 1879 een bijzondere lagere school met een mulo voor meisjes. In 1916 kwam een derde openbare school aan de Kanaalweg. Rond de 1e Wereldoorlog was Capelle een klein, geïsoleerd dorp met smalle dijkjes, moerassige veengebieden en veel water. Aanvankelijk bestond de gemeente uit vier buurtschappen: Kralingse Veer, Keeten, Schinkel en het Dorp. Er woonden 6000 inwoners.

In 1933 waren dat er 9000 en pas na de 2e WO is sprake van spectaculaire groei. Economisch dreef Capelle op veeteelt en tuinbouw. Langs de IJssel was van oudsher industrie, veel scheepswerven, chemische fabrieken en rietmattenindustrie. De lonen waren lager dan elders en met hygienische voorzieningen, zoals rioleringen was het slecht gesteld.

Crisistijd De eerste tien jaar van volksonderwijs (1926-1936)

Na 1929 nam het aantal werklozen schrikbarend toe en was rond 1932 anderhalf keer zo hoog als het landelijk gemiddelde 15%. De crisis trof vooral de scheepsbouw, daar liepen de spanningen hoog op en in 1934 bereikten de relletjes tussen stakers en werkwilligen hun hoogtepunt. Er werden lonen verlaagd en subsidies afgeschaft. Opstandige inwoners van Capelle veroorzaakten een oploop bij het gemeentehuis aan de dijk en zij probeerden raadsleden te molesteren.

Bij de oprichting op 8 december 1926 had de vereniging voor openbaar onderwijs 33 leden. Het ledental groeide langzaam tot 80 in 1930, maar 1931 had een doorbraak plaats tot 131 leden. En in 1932 bereikte men een voorlopige top van 150, daarna zakte het aantal leden weer tot onder de 100. Het eerste bestuur bestond uit 7 leden die met absolute meerderheid van stemmen in hun functie gekozen moesten worden. Waarschijnlijk hadden ze niet veel bestuurlijke ervaring. Bij de vergaderingen kwamen weinig leden opdagen. Een truc om boterletters te verloten hielp weinig.

In 1930 werd de contributie op een minimumbijdrage van 1 gulden per jaar vastgesteld. Door collectes probeerde men extra inkomsten te verwerven, maar de leden hadden allen van de slechte economische omstandigheden te lijden. De vergaderingen werden gehouden in cafe t Centrum bij de Veerstoep aan de IJssel, dit was de vergaderplaats voor een groot aantal niet-confessionele Capelse verenigingen zoals de Maatschappij tot nut van het algemeen, de SDAP, de Vara, de drankbestrijding en toneel-en muziekverenigingen. De propaganda commissie van de vereniging was niet erg actief in de pers.
Pas in 1931 werd voor het eerst een verslag van een vergadering van de VO in Lek en IJssel gepubliceerd. Later, rond 1939 zou het actieve lid Poldervaart regelmatig gebruik maken van de pers onder meer om de aanstelling van een gemeentelijke schoolarts te bepleiten.

Activiteiten.

Bij de eerste vergadering in 1926 werden twee voorstellen ingediend. De eerste betrof verbetering van de verlichting van de openbare scholen en de tweede een actie voor de oprichting van een openbare kleuterschool. Pas in 1929 besloot de raad om elektrisch licht aan te leggen. In openbare bijeenkomsten werden regelmatig actuele en principiele onderwijszaken behandeld. Daarnaast verspreidde men strooibiljetten over bijvoorbeeld Volksonderwijs en Volksopvoeding, en plakte men manifesten aan b.v. Voor het eerst naar school of ouders welke school kiest ge voor Uwe kinderen.

De meeste verzoeken van de VO aan de gemeenteraad hadden weinig succes. De gevoelens van achterstelling van het openbaar onderwijs worden niet zichtbaar in de werkelijke cijfers. Er waren 3 openbare scholen met respectievelijk 199, 404 en 165 leerlingen in Capelle. De twee bijzondere scholen aan de Bermweg en de IJsselmondselaan haddeen 319 en 361 leerlingen. In 1929 hadden de openbare scholen gemiddeld 35 leerlingen per klas en bij de bijzondere scholen was dat 45. Er ontstonden felle conflicten toen het Hervormde bestuur van Kralingse Veer een school wilde stichten in Keeten, na veel geprocedeer moest het gemeentebestuur 3 lokalen ter beschikking stellen. Rond 1932 ontstonden er moeilijkheden rond de overplaatsing van een van de 7 leerkrachten van school II naar school IV. In het bestuur waren vele wisselingen. In 1927 is eenmalig een succesvol schoolreisje voor 70 leerlingen georganiseerd door de vereniging, leraren mochten niet mee als begeleiders. Over deelname van kinderen van een openbare school aan een briefkaartenactie voor de AVRO ontstond commotie.

Oorlogsdreiging en oorlog (1936-1945)

In 1934 was in de krant melding gemaakt van een groepsvergadering van de NSB die niet door kon gaan vanwege onrust.In de jaren die daarop volgden werden wel vergaderingen gehouden van de NSB en bij verkiezingen kwam het aantal stemmen in Capelle overeen met het landelijk gemiddelde. Rond 1937 was de SDAP de grootste fractie in de gemeenteraad, maar omdat zij een vrouw voorgedragen hadden als wethouder, kregen zij geen zetel in het college. In 1939 won de SDAP 5 van de 13 raadszetels en ontstond voor het eerst een non confessionele meerderheidscoalitie. Deze is maar kort aan het bewind geweest omdat de Duitse bezetters in augustus 1941 de gemeenteraad ophieven.

Uit berichten in de kranten van 1937 bleek dat men ernstig rekening hield met een oorlogsdreiging, zo waren er verduisteringsoefeningen en luchtbeschermingsactiviteiten. In 1938 werd in Capelle een collecte gehouden voor Duitse vluchtelingen die vanwege geloof of ras vervolgd werden, dit bracht f 306,14 op.In 1939 werd de mobilisatie bekend gemaakt en konden particulieren o.a. gasmaskers bestellen.

In de Vereniging voor openbaar onderwijs was rond 1936 een conflict tussen de oud voorzitter Roetman en de jonge onderwijzer Poldervaart. Poldervaart was goed van de tongriem gesneden en schreef ook diverse pamfletten die vele malen herdrukt werden. In de vergaderingen werden vele voorstellen van Roetman verworpen bijvoorbeeld om een gezamenlijke ouderraad te vormen voor alle openbare scholen in Capelle. In 1938 waren de VO leden in Rotterdam aanwezig om te pleiten voor kleinere klassen en het aanstellen van jonge onderwijzers. Enkele activiteiten lagen op het vlak van vakantiescholen, beroepskeuze-adviezen tegen lage tarieven, cursus engels voor volwassenen.

In 1939 schreef Polderman een reeks van 12 artikelen over het Geneeskundig Schooltoezicht. In 1940 werd de laatste ledenvergadering gehouden voor de Duitse bezetting. Pas in december 1943 was er een propagandaavond met zang, dans, toneel en ritmische gymnastiek. Begin 1944 volgden nog twee succesvolle avonden en het aantal leden steeg tot ruim 200. Uit de stukken blijkt niet hoe de leden de oorlog zijn doorgekomen.

4 Naoorlogs herstel en groei (1945-1965)

In oktober 1945 werd een tijdelijke gemeenteraad ingesteld waarin onder andere 3 SDAPérs zitting kregen. In de daarop volgende jaren was de PvdA in bijna alle colleges vertegenwoordigd. Door de groei van de gemeente waren er inmiddels 3 wethouders. Het aantal inwoners nam van 1960 tot 1986 toe van 11.000 tot 55 000, de instroom bestond hoofdzakelijk uit Rotterdammers.

In 1953 kwam een nieuw huishoudelijk reglement tot stand. In oktober 1954 had de heroprichtingsvergadering van VO plaats, men richtte zich sterk op propaganda en het winnen van nieuwe leden. Er was een voortzetting van de discussie over de wenselijkheid van bijbel-onderwijs op de openbare school gekoppeld aan zorg over de groei van het christelijk onderwijs in Capelle. De meeste aandacht ging echter uit naar meer materiële zaken zoals het verzamelen, vermaken en uitdelen van kleding en schoeisel

Na de oorlog was de toestand van de schoolgebouwen veelal slecht. Het volgende klachtenlijstje van de school in het dorp is door het schoolhoofd Cupedo opgesteld. “De school is vochtig en koud en in de winter bevriezen de wc’s. In drie lokalen komt nooit zon. De school verzakt en door sommige scheuren in de muren kan je je hand naar buiten steken.

De kasten sluiten niet, schoolplaten laten los vanwege het vocht en leermiddelen beschimmelen. Er zit houtworm in het plafond, de lokalen zijn te klein en er is geen magazijn en geen spreekkamertje. Ook de ruimtes voor kolen-en turfopslag zijn veel te klein.” In 1947 werd actie gevoerd voor een kleuterschool in Kralingse Veer. Binnen een jaar werd een bijzonder neutrale kleuterschool geopend.

In 1955 kwam pas een wettelijke financieringsbasis voor het kleuteronderwijs. In het dorp probeerde men te komen tot oprichting van een openbare ulo, nadat ondanks tegenacties van VO een Hervormde ulo van start was gegaan. De ulo begon met 42 leerlingen in de nieuwe school van het Slot. In 1955 werd met het christelijk bestuur een stichtingsakte opgesteld voor een nijverheidsschool voor meisjes, maar dit initiatief is niet gerealiseerd omdat de regering tegen was.

In 1957 waren er 347 leden, velen van hen kwamen voornamelijk voor de georganiseerde feesten met spreker, toneel en muziek. De verhoudingen met het christelijk onderwijs waren regelmatig erg gespannen o.a. toen de Hervormden een dependance begonnen in het kamp voor de Ambonezen. Het protest van de VO werd bij de Raad van State niet ontvankelijk verklaard. De VO voelde zich een miskende minderheid en men had ook vele intern conflicten tussen de openbare scholen onderling. Eind 1959 besloot het bestuur voortaan de burgemeester en de plaatselijke predikanten een uitnodiging voor de feestavonden te sturen.

Begin jaren zestig probeerde de VO een schoolraad op te richten die erkend zou worden door de gemeenteraad. Zij kwamen in 1962 niet verder dan de instelling van een önderwijscontactraad voor het openbaar onderwijs. Deze contactraad vergaderde drie maal per jaar onder leiding van de burgemeester. Bij de komst van een nieuwe burgemeester verbeterden de contacten. De strijd tegen het confessioneel onderwijs ging echter door. In 1963 werden met succes de handtekeningen teruggehaald ten gunste van een pc blo school in Rotterdam. In 1964 werd een openbare blo-school in Capelle geopend.

In 1961 vond een oprichtingsvergadering oplaats van een jongerenvereniging van de VO. De opzet was gebaseerd op het inblazen van nieuw leven inzake vooroorlogse ideeen over de organisatie van de jeugd. Maar na een veelbelovende start is niets meer van jong VO Capelle vernomen.

5 Verval en wederopleving (1965-1980)

In korte tijd nam het inwoneraantal in Capelle spectaculair toe. Van 1955 tot 1965 was het inwoneraantal verdubbeld van 8.700 tot 16 000. In 1969 waren er 25.000 inwoners en begin jaren tachtig waren er meer dan 50.000. Het duurde vrij lang voordat nieuwkomers in het Capelse verenigingsleven hun plaats innamen. Het kader van de VO bestond in de jaren zestig vooral uit oorspronkelijke bewoners van Capelle. Het aantal leden liep terug van ruim 300 tot het dieptepunt van 152 in 1974.

In de eerste jaren na 1975 was er een kleine opleving tot 231 maar daarna daalde het aantal leden weer. Door de toename van de bevolking nam ook het aantal openbare scholen toe De J.P. Thijsseschool werd opgericht en de Glopper ULO kreeg een nieuw onderkomen. In 1967 besloot de gemeente eindelijk om een schoolraad in te stellen.

In 1968 werd de Vereniging Volksonderwijs samengevoegd met de organisatie van ouderraden Noraolo en zo ontstond de VOO, Vereniging voor Openbaar Onderwijs. Pas vanaf 1975 werd de VOO nieuw leven ingeblazen en de activiteiten werden op een efficiënte en zakelijke wijze aangepakt. Dit leidde al snel tot erkenning bij de plaatselijke overheid en het onderwijsveld. De zorg om het meedoen van ouders op verschillende beleidsniveaus stond centraal. De cursus voor oudercommissies startte in 1977 met 60 deelnemers en werd een succes.

Het bestuur bezocht regelmatig de commissievergaderingen als daar iets over onderwijs aan de orde kwam. Op gemeentelijk niveau adviseerde de VOO over de Contourennota van van Kemenade. Een zekere mate van professionalisering werd zichtbaar.
In het gehele land was er sprake van deconfessionalisering en het primaat, de minderheidspositie met zijn protestkarakter werd verlaten en er ontstond een vereniging die op moderne wijze de belangen van het openbaar onderwijs op een zo breed mogelijk vlak trachtte te behartigen. Het fanatiek volgen van de ontwikkelingen bij het bijzonder onderwijs maakte plaats voor een beleid dat op het plaatselijk vlak de belangen behartigde. Van het onderwijs in het algemeen en meer in het bijzonder die van het openbaar onderwijs.

6 De laatste jaren (1980-1986)

Midden jaren tachtig werd de Wet op het Basisonderwijs ingevoerd en de wet Medezeggenschap onderwijs. In het onderwijs werd flink bezuinigd zowel op landelijk als op lokaal niveau. De VOO probeerde commentaar te leveren op diverse beleidsplannen. Het aantal scholen groeide in 1986 waren er in Capelle 12 basisscholen, 2 scholen voor speciaal onderwijs en 2 voor voortgezet onderwijs.

In 1986 bestond de VOO 60 jaar en was er een luisterrijk jubileumfeest dat tevens het slotfeest bleek te zijn. De afdeling meldde zich bij het landelijk bureau aan met de status van “Slapend”. Cor Boef zegt in 1987 in zijn nawoord dat hij hoopt dat de VOO de positieve rol die zij in het verleden heeft gespeeld ook in de toekomst zal waarmaken.

Voordat het laatste bestuur zich geheel afmeldt en de afdeling wordt opgeheven, presenteert zij het boekje over 60 jaar volksonderwijs in maart 2000 als laatste activiteit met de slotzin: In het jaar 2000 wordt ook landelijk een discussie gevoerd over de toekomst van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs. Nieuwe tijden vragen om nieuwe vormen. De doelstellingen van het openbaar onderwijs: kwalitatief goed onderwijs bieden voor iedereen, met respect voor ieders culturele en religieuze achtergrond, dus “niet apart maar samen”, blijven de moeite waard.

Bron : Zestig jaar volksonderwijs in Capelle aan den IJssel (1926-1986)

door Cor Boef 1987, uitgegeven mei 2000. 61 p.

Capelle en de zalm visvangst

De zalmvissers uit vroegere dagen konden meestal op goede vangsten rekenen. Hef water van onze grote rivieren stond nog niet aan de industriële en andere vervuiling bloot die vandaag de dag het leven der vissen belaagt. In het voorjaar placht de zalm massaal de rivieren op te zwemmen om te paaien. Dan kwam de zalm in vele gezinnen dikwijls als hoofdschotel op tafel en dat waarachtig niet alleen in de gezinnen van de vissers. Er gaan in de Krimpenerwaard verhalen van dienstmeisjes die – als zij zich kwamen “verhuren” – het beding stelden dat zij niet meer dan tweemaal per week bij het middagmaal zalm opgediend zouden krijgen.

Voor de zalm was Kralingseveer de belangrijkste aanvoerplaats. In het tijdvak van 1882-1887 werden daar jaarlijks ruim 83.000 stuks aangevoerd. In het eerste decennium van de twintigste eeuw was dat aantal al teruggelopen tot gemiddeld 25.000 stuks per jaar. Daarna heeft de zalm meer en meer zijn bekomst van onze rivieren gekregen, om er ten slotte helemaal de brui aan te geven.

Uit het voorgaande valt af te leiden dat de vissers niet het gehele jaar door op zalm visten. Als de zalmtijd voorbij was occupeerden zij zich met de visserij op andere riviervissen. Bij voorkeur, zo wil het de overlevering, probeerden zij aal en paling in hun netten te krijgen, maar ook de verschillende soorten witvis waren welkom.

Er waren drie vistuigen in gebruik onder de zalmvissers, te weten: de steek, de zegen en het drijfnet. De steek is een constructie van in de rivier geplaatste palen en rijshout waaraan fuiken werden verbonden. Hoewel ik daarop geen eed zou durven afleggen, meen ik toch te kunnen verklaren dat de KaIkmannen zich niet van dit middel hebben bediend. In verscheidene notariële akten, hun doen en laten betreffende, is sprake van vissersschuiten en het daarbij behorende want. Aan te nemen valt dus dat onze voorvaderen hetzij met de zegen, hetzij met het drijfnet hebben gevist.

Dat vissen geschiedde in de eerste plaats op de IJssel. Het recht daartoe moest worden gepacht. In het notarieel archief te Rotterdam is een akte bewaard gebleven die dit onderstreept. Uit deze akte – van 24 juli 1860 – blijkt dat Willem Kalkman (Vlac) van jhr. Jacob Nicolaas Joan Jantzoon van Erfrenten van Babyloniënbroek te Dordrecht voor de tijd van zes jaar de visserij op de IJssel huurde tegen betaling van f 100.- per jaar.

De jonkheer was een belangrijk personage. Hij was lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland en hij had ook zitting in de gemeenteraad van Dordrecht. De visserij in de IJssel – vanaf de Gouwe voor Gouda tot aan de mond van de rivier – was zijn eigendom.

Minder trouw was de zalm. Die begon zich hogerop de rivieren steeds onbehagelijker te voelen. Dat is aan de mobiliteit van het vissende voorgeslacht terdege merkbaar geweest. Een deel van hen verlegde omstreeks het midden van de vorige eeuw het centrum van de visserij-activiteiten van Capelle naar Krimpen a.d. Lek.

Het heeft er wel van dat de mannen daar de eerste tijd inderdaad het oog gericht hebben gehouden op de mogelijkheden van de visserij en de visverwerkende industrie. Een deel van hun vrouwen verdiende er een centje bij als nettenboetster. Maar de vis bracht vermoedelijk toch niet voldoende geld in het laatje.

Daartoe werden ook meer en meer andere vissers genoodzaakt die geprobeerd hadden zich zo lang mogelijk staande te houden met de zalm- en riviervisserij op de Nieuwe en de Oude Maas en de Waterweg. Er zat, dat was duidelijk, op den duur geen droog brood meer in. Dezulken waagden toen de sprong over de Waterweg, in de richting van Vlaardingen en Maassluis.

Capelle en het Molukse kamp IJsseloord

Ruim 50 jaar geleden maakten 12.500 Molukkers vanuit Indonesië noodgedwongen de overtocht naar Nederland. Wat bedoeld was als een tijdelijk verblijf voor een half jaar is inmiddels een verblijf van meer dan een halve eeuw geworden. In maart 1958 kwamen de eerste Molukse families aan in Capelle, in het voormalige IJsseloord, een houten barakkenkamp, gelegen aan de voet van de IJsseldijk ter hoogte van Oostgaarde, richting Hitland. Tegenwoordig de landelijk zeer bekende nieuwbouwwijk Paradijsselpark.

Historie

Op 15 augustus 1945 eindigde de oorlog in Nederlands Indië. Het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) werd weer in ere hersteld. Er ontstond een nieuwe strijd, nu om de macht tussen Nederland en de Indonesische nationalisten. Veel Molukse KNIL militairen streden aan de kant van Nederland. Zij werden ingezet bij de grote ’politionele acties’ die de Nederlanders voerden om de binnenlandse orde te herstellen. Desondanks vond op 27 december 1949 de soevereiniteitsoverdracht plaats.

‘Molukse KNIL soldaten werden gezien als bondgenoten van Nederland, de vijand van de nationalisten’
Molukse KNIL soldaten zaten toen verspreid over heel Indonesië. Ze werden gezien als bondgenoten van Nederland, de vijand van de nationalisten. In kazernes en kampen wachtten ze op wat er komen ging. De Molukse KNIL militairen, die in 1951 op Java bivakkeerden, werden uiteindelijk gedwongen te kiezen tussen een overstap naar het Indonesische leger, demobilisatie op Java en een overtocht naar Nederland.

Aanvankelijk was er ook de optie van demobilisatie op een plek naar keuze. Maar de zo gewenste plek -Ambon, waar in april 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS) was uitgeroepen of anders Nieuw Guinea- werd door Indonesië niet geaccepteerd.

Formeel was er geen sprake van een dienstbevel van Nederlandse zijde. Maar er was ook geen sprake van vrijwilligheid aan Molukse zijde om te kiezen voor de overtocht naar Nederland. Uit angst voor de publieke opinie, omdat de Nederlandse dienstplichtigen in Indonesië zo lang op hun terugtocht moest wachten, besloot de regering tot tijdelijke zending naar Nederland als laatste optie. Een delegatie van Molukse militairen, onder leiding van sergeant Aponno, adviseerde zijn lotgenoten in Indonesië voor inscheping te kiezen.

Verraden. Zo voelen de Molukse KNIL militairen zich als ze op de dag van aankomst in Nederland massaal uit de dienst worden ontslagen. Van de ene op de andere dag zijn ze werkloos. In een koud land ver weg van huis, waar ze door de overheid worden ondergebracht in voormalige werklozen en concentratiekampen, leegstaande kloosters en kazernes.

,,Toen we de eerste ochtend de gordijnen openden, zagen we bomen zonder bladeren. Zo raar,’’ zegt oom Atus Kappuw uit Capelle aan den IJssel. Hij wordt met zijn echtgenote tante Dol en nog zo’n zeventig gezinnen naar een klooster in het Limburgse Eijsden gebracht. Vanuit het demobilisatiecentrum in Amersfoort zijn de 12.500 Molukse mannen, vrouwen en kinderen verspreid over heel Nederland. Sommigen treffen het goed: die gaan naar lege villa’s.

’Als ze eenmaal in gemeenten wonen, zijn ze moeilijk nog in kampen te krijgen’

Maar het merendeel belandt in de voormalige concentratiekampen in Vught en Westerbork. Oude, tochtige barakken, alleen voorzien van het hoognodige meubilair. Kampen, ver weg van de bewoonde wereld.

De regering kiest bewust voor deze vorm van huisvesting. Ze wil voorkomen dat de Molukkers opgaan in de Nederlandse samenleving. ’Als ze eenmaal in gemeenten wonen, zijn ze moeilijk nog in kampen te krijgen’, zo stelt een ambtenaar van de Dienst Maatschappelijke Zorg van Binnenlandse Zaken. Assimilatie is niet de bedoeling. Het gaat tenslotte om een tijdelijk verblijf. Organisatorisch is de eerste opvang een rommeltje. Een bont gezelschap van departementen stort zich op de Molukkers.

Het ontslag uit het leger wordt tevergeefs bij de rechter aangevochten. Nadat de Militaire Ambtenarenrechter de Molukse mannen in het gelijk heeft gesteld, besluit de Centrale Raad in hoger beroep dat de ambtenarenrechter niet bevoegd is een dergelijke beslising te nemen. Het wordt een domper. Want iedereen hield rekening met een terugkeer van de Molukse militairen. Op de dag dat de Centrale Raad uitspraak doet, liggen hun uniformen al klaar, inclusief een welkomstbrief.

“ Het eten komt uit gaarkeukens, die onder supervisie van Nederlandse koks staan. De recepten voor de nasi goreng en sajoer kool staan op stenciltjes.”

Daar zitten ze dan, de mannen die tot voor kort nog in dienst waren van het KNIL. En de vrouwen met de kinderen. Ze mogen niet werken, mogen eigenlijk helemaal niks doen. Het eten komt uit gaarkeukens, die onder supervisie van Nederlandse koks staan.
De recepten voor de nasi goreng en sajoer kool staan op stenciltjes. Er worden kledingbonnen uitgereikt waarmee ze in het dorp kunnen betalen. Maar de Molukkers vinden ’t maar rare kleren.

Ze vullen hun dagen met kaarten, voetballen, films kijken en muziek maken. Toch gaan de mannen op een gegeven moment bijklussen. Van de drie gulden zakgeld die ze per week krijgen, valt volgens hen niet te leven. ,,Wat kun je kopen voor drie gulden?’’ zegt Kappuw. Hij gaat kersen plukken voor vijf cent per kilo.

Anderen gaan appels plukken of aardappelen rooien. ,,Maar het mag niet. Als je wordt ontdekt, moet je zestig procent aan het CAZ betalen.’’

Iedereen krijgt te maken met het eind 1952 ingestelde Commissariaat Ambonezenzorg (CAZ). Je kunt er niet omheen. Het CAZ bepaalt wat je eet, waar je kleren koopt, waar je woont en wie er mag werken in het kamphospitaal of de keuken.

Het regelt cursussen naaien en hout en metaalbewerking. Voor later als ze teruggaan. Maar het CAZ houdt ook dossiers bij. ,,CAZ wist alles. Alles wat je zei of deed, kwam in je persoonlijke dossier terecht. Je kon er je hele leven in terugvinden,’’ zegt historicus Henk Smeets, directeur van het Moluks Historisch Museum.

De Nederlandse bevolking moet wennen aan de ’bruine mensen en bruine kindertjes’. Frieda Souhuwat Tomasoa: ,,Wij gingen niet naar het kampschooltje in Vught, maar meteen naar de Nederlandse school in het dorp. Ik werd door iedereen chocolaatje genoemd.’’

Maar de meeste kinderen krijgen les in het kamp zelf. Onder andere van de Nederlandse juf Nel Lanting, zelf geboren in Timor. Ze is pas 21 als ze in het kamp in Vught gaat onderwijzen. Het is een grote school. ,,Maar zeker niet de mooiste. Een donker lokaal met een betonnen vloer, kleine raampjes, twee ezelsborden en een kachel.’’

‘Wij gingen niet naar het kampschooltje in Vught, maar meteen naar de Nederlandse school in het dorp. Ik werd door iedereen chocolaatje genoemd.’

,,Mijn Maleis was niet zo geweldig, dat had je eigenlijk wel nodig. De kinderen kwamen kersvers van moeders, spraken geen Nederlands.’’ Ze haalt het oude fotoboek erbij. Dicteeles in de open lucht met de leitjes op schoot, groepsfoto’s, schoolreisjes naar de Efteling. Een andere foto in het bos: een alternatieve gymles. ,,’s Zomers gingen we heerlijk het bos in. De jongens waren macho’s, echt soldatenvolk. Die gingen graag stoeien, schieten en in bomen klimmen. En er werd veel gevoetbald. Van die kleine kereltjes met winterlaarzen aan. ’s Winters hadden ze geen laarzen meer over.’’ Ze heeft genoeg mooie herinneringen aan die tijd.

Gado gado tussen de middag, bingo spelen met zand, brieven van oud leerlingen. ,,De kinderen waren levendig in de klas. Thuis werd met straffe hand geregeerd. Discipline vinden ze toch wel fijn. Lekker streng joef!’’

RMS, Republik Maluku Selatan, de Republiek der Vrije Zuid Molukken.

De letters worden gebruikt om nationale gevoelens een identiteit te geven. Het heeft een symbolische werking om zich te onderscheiden van de rest.’’

Symbool van een nationale identiteit. De RMS -geproclameerd op 25 april 1950- is dat altijd geweest voor de Molukse gemeenschap. ,,De proclamatie is integraal onderdeel van de Molukse geschiedenis. RMS staat synoniem aan het recht op zelfbeschikking.’’

Het Moluks nationalisme is voor een deel gebaseerd op het idee dat Nederland ooit een vrije republiek beloofd heeft. Een verkeerde veronderstelling, zegt historicus Henk Smeets, directeur van het Moluks Historisch Museum. ,,De Nederlandse regering heeft nooit beloofd de RMS te steunen. Misschien is die indruk destijds door hoge ambtenaren wel gewekt.’’

,,Ons protest is gebaseerd op de belofte die ons is gedaan door generaal majoor Scheffer”

Dat laatste blijkt bijvoorbeeld bij de ontruiming van het Ambonezenkamp Schattenberg, het voormalige concentratiekamp Westerbork. Een groep Molukkers weigert te verhuizen naar stenen woonwijken. Als de laatsten door de marechaussee uit hun barakken worden gezet, zegt de Molukse leider A. Lease: ,,Ons protest is gebaseerd op de belofte die ons is gedaan door generaal majoor Scheffer.

Die belofte houdt in dat wij via Nederland weer naar ons geboorteland zouden worden afgevoerd.’’ In Nederland zijn dan wel groepen die sympathiseren met de Molukkers, met name in rechts confessionele kringen. Zoals Help Ambon in Nood (HAIN) en Stichting Door De Eeuwen Trouw, die zich inzet voor de aan Nederland loyale minderheden in Indonesië. ,,Maar premier Drees was terughoudend en diplomatiek,’’ zegt Smeets. ,,Die gaf geen steun aan de RMS. Er kan dus niet gezegd worden dat een belofte gebroken is.’’De Molukkers moeten de RMS strijd alleen voeren. Dat gaat niet zonder problemen.
Al in de beginperiode zijn er onderling ruzies. In de jaren zestig wordt geprobeerd eenheid te creëren in de achterban. In ’66 wordt de eenheidspartij Badan Persatuan Rajat Maluku Selatan (BPRMS) opgericht. Later gaat deze door het leven als de Badan Persatuan.

In datzelfde jaar wordt RMS president C. Soumokil, die op de Molukken een guerilla oorlog voert, door Indonesië geëxecuteerd. De Molukse gemeenschap in Nederland reageert geschokt. De in Nederland verblijvende J. Manusama wordt president van een regering in ballingschap.

Een zorg van de Nederlandse regering is ondertussen het ordeprobleem in de kampen. Er zijn onderlinge conflicten, vaak over politieke zaken en religie. Maar er is ook opstand. Tegen het Nederlandse beleid. In juli 1951 vallen er rake klappen tussen Ambonezen en ambtenaren in Woerden als minister Van Maarseveen het wapperen van de RMS vlag verbiedt.

“Iedereen moest kiezen waar hij naartoe wilde. In IJsseloord gingen we in barakken wonen. Met een keukentje en een eigen wc.”

De bewoners hebben nu hun eigen kampraad, die optreedt als belangenbehartiger en gesprekspartner voor de Nederlandse functionarissen. Ook Kappuw neemt zitting in de raad. ,,Dingetjes regelen,’’ zegt hij. ,,En bemiddelen bij ruzies, want die waren er genoeg.’’

De kerk

De kerk speelt een belangrijke rol. Molukse predikanten beginnen de zelfstandige Molukse Evangelische Kerk (Geredja Indjili Maluku). De kerk is belangrijk voor de groepsbinding. Er komen kerkkoren, raden en fluitorkesten, die de diensten begeleiden zoals dat ook op de Molukken zelf gebeurt.

Het leven in de kampen is volgens de structuur van de wetten van thuis. De adat regels worden ook in Nederland nageleefd. De zo belangrijke pela verbanden, ooit gesloten door de voorouders, worden in ere gehouden. Geen Molukker die het in zijn hoofd haalt om met een pela te trouwen.

De eerste jaren blijven de KNIL militairen hun uniform dragen, onder meer om de Nederlandse regering te herinneren aan zijn plichten tegenover de Molukse bevolking. Er is elke ochtend appèl. Er wordt gemarcheerd en met militair ceremonieel wordt de RMS vlag gehesen.

Het ene na het andere moeilijke jaar in Nederland verstrijkt. Teruggaan naar huis is nog steeds geen optie. Het Indonesische leger heeft op Ambon de touwtjes in handen. Dan, in 1956 besluit de regering dat de Ambonezen voortaan voor zichzelf dienen te zorgen. Ze moeten werk zoeken. De centrale keukens worden afgeschaft. En vanaf nu dienen ze net als iedereen huur, brandstof en licht te betalen. Het verzet is fel.

J.A. Manusama, president in ballingschap

DE OP 17 AUGUSTUS 1910 in Bandjermasin op Borneo geboren Johannes Alvarez Manusama was vóór alles een product van de koloniale samenleving. Ofschoon zijn ouders waren geboren op de Molukken, voelde hij zich op en top Nederlander. Bij koninklijke feestdagen hees hij op gezag van zijn al even aan Wilhelmina verknochte vader de Nederlandse driekleur. Zijn vader, afkomstig uit Abubu op het eiland Nusa Laut, was op vijftienjarige leeftijd naar Java gezonden en had zich opgewerkt tot ingenieur. Manusama sr. veranderde vaak van standplaats en zo kwam het gezin onder meer op Java, Celebes en Sumatra terecht. Als jongen had Manusama geen enkel benul van zijn Molukse roots.

Hij sprak niet eens het Maleis-Moluks. Toen hij op de mulo in Batavia, in een klas met Javanen, Soedanezen, Batakkers, Menadonezen, Ambonezen, Chinezen en Arabieren, door de leraar werd gevraagd naar zijn ‘landaard’, antwoordde Manusama dat hij ‘inlander’ was. Dit tot ontsteltenis van zijn vader, die hem beval zich voortaan voor te stellen als ‘met Europeanen gelijkgesteld’. Dat was een juridische omschrijving die Manusama sr. in 1894 voor zichzelf en zijn nazaten had geregeld. Het garandeerde een betere rechtspositie dan die voor de ‘inlanders’ gold.

Op 25 april 1950 wordt in Ambon de Vrije Republiek der Zuid-Molukken RMS geproclameerd. Manusama wordt benoemd tot minister van Onderwijs en later ook van Defensie. Kort daarop begint de Indonesische invasie. Via Nieuw-Guinea heeft Manusama contact met Nederland. ‘Indonesië valt ons aan met tanks. Zend hulp!’ telegrafeert hij. Het antwoord uit Den Haag verbijstert hem: ‘Wees niet bevreesd.

Verover de Indonesische tanks en val er Indonesië mee binnen.’ Manusama, onafhankelijkheidsstrijder tegen wil en dank, ziet zich in een volkomen isolement geplaatst. Intern gaat het er binnen de prille RMS ook niet echt harmonieus aan toe. Vaak vergrijpen de diverse clans zich eerder aan elkaar dan aan de vijand. Manusama en zijn vrouw zijn dan ook diverse malen aan de dood ontsnapt als zij na een wekenlange tocht door de binnenlanden van Banda, met de eigen troepen op de hielen, op een prauw met drie roeiers ontsnappen naar Nieuw-Guinea.

Ernstig verzwakt door de malaria, nog maar 36 kilo wegend, arriveert Manusama in juni 1952 in Nieuw-Guinea, waar hij onmiddellijk wordt geïnterneerd. Hij moet beloven zich te onthouden van politieke activiteiten en wordt in oktober 1952 dan ook in ‘immagratoire bewaring’ gesteld als hij de in Nederland verblijvende Molukkers in een artikeltje oproept tot trouw aan de RMS. Eenmaal in Nederland krijgt hij een spreekverbod opgelegd, alsmede een verbod om te verhuizen. Joseph Luns heeft het uitroepen van de RMS inmiddels afgedaan als ‘een onrechtmatige daad’.

ALS IN 1966 de gearresteerde RMS-president Soumokil wordt geëxecuteerd in Jakarta, komt het hoogste ambt der Molukken toe aan Manusama. De geïsoleerde Molukse gemeenschap in Nederland loopt metterjaren steeds meer frustraties op, met als resultaat dat in 1978 de strijdbijl weer wordt opgegraven. ‘Dat zijn niet onze jongens’, zegt Manusama over de Molukse jongeren die in 1978 overgaan tot een golf van Moluks terrorisme, gericht tegen zowel Nederlanders als Indonesiërs. Niettemin wordt ‘ome Joop’ door vele Nederlanders verantwoordelijk gesteld.
De radicale RMS-jongeren vinden hem op hun beurt juist weer veel te zacht. In 1993 komt er een tamelijk roemloos einde aan zijn presidentschap. Als een bezetene begint Manusama aan zijn memoires te schrijven. Drie jaar later stierf Ir Manusama, jarenlang een markante inwoner van Capelle aan den IJssel. Zijn laatste wens was dat zijn as ooit over de vrije Zuid-Molukken zou worden verstrooid.

IJsseloord


De wijk in Capelle aan den IJssel – Oostgaarde is met 156 woningen en 16 aanleunwoningen voor ouderen een van de grootste in Nederland, op Molukse bolwerken als Assen en Bovensmilde na. In de beginjaren zeventig wordt de eerste paal voor de nieuwe woonwijk geslagen door J. Manusama, president van de RMS. In januari 1972 komen de eerste gezinnen over vanuit kamp IJsseloord in Capelle, waar de Molukkers sinds 1958 in barakken hebben gewoond. Oude, tochtige en gehorige barakken, die alleen voorzien waren van het hoognodige meubilair.

”Het was prettig wonen in IJsseloord, maar het kon echt niet meer. De houten barakken waren helemaal verrot.”

Tafel en stoelen, aanrecht, etenspannetjes en een kolenkachel met daarop een emmer om het water warm te houden. Weliswaar met een eigen keuken en wc, maar verre van luxe. De nieuwe woningen worden in rap tempo neergezet. ,,Daarvan hebben we wel de nadelen ondervonden,’’ vertelt Tannetje Huliselan Fierens, de ’burgemeestersvrouw’. ,,De huizen werden slecht opgeleverd. Technisch mankeerde er nogal wat aan. Er waren verzakkingen, de muren in de hoeken waren open en de kozijnen van brandhout. Als het nat werd, ging alles kapot. Ook de proef met hete lucht verwarming was geen succes. We kregen de kamer niet op temperatuur. Dan zaten we hier met ijskoude voeten.’’

De Molukse wijk in Oostgaarde

De huidige Molukse wijk ligt goed ’verborgen’ aan de rand van Oostgaarde, op de grens met Nieuwerkerk aan den IJssel. Eengezinswoningen, allemaal in dezelfde sobere kleuren. De straatnamen, Banda Neira, Boeroestraat, Ceramstraat, Waitatiristraat, verwijzen naar het tropische moederland. Een stukje Molukken in Capelle aan den IJssel. ”Ik ben inmiddels gewend aan de wijk. Ik zou niet meer op Ambon kunnen wonen. Ik heb wel heimwee, maar hier in de wijk is het beter.”

Atus Kapuw woont er sinds 1972. Binnenshuis is de sfeer gemoedelijk. Aan de muur hangt -, zoals in veel Molukse huizen- een foto van het geboortedorp op de Molukken. Kappuw staat vaak achter het raam. Zo heeft hij goed zicht op wat er op straat gebeurt.

,,Ik ben inmiddels gewend aan de wijk. Ik zou niet meer op Ambon kunnen wonen. Ik heb wel heimwee, maar hier in de wijk is het beter. En ik ken iedereen. Elke vrijdag speel ik bingo in het wijkcentrum.’’

De meeste tuinen zijn het toonbeeld van een georganiseerde chaos. Losse objecten staan op het erfje en op straat. Maar als het straks warmer is, komt iedereen z’n huis uit om de boel schoon te maken. Nieuwsgierige blikken worden naar buiten geworpen als iemand voorbijloopt. De tijd lijkt een stuk langzamer te gaan. In de Molukse wijk doen ze niet mee aan de Nederlandse rat race. Soms is er enige opwinding. Zo staat nu een huis te koop op de hoek van de Waitatiristraat.

Nog niet zo lang geleden waren er stenen door de ruiten gejaagd. Inmiddels zijn er nieuwe ramen ingezet, in afwachting van de nieuwe bewoners.

Het zorgt voor enig gerommel in de Molukkenbuurt. Sinds het huis te koop staat, hebben zich enkele belangstellenden gemeld. Turken, Tunesiërs, Joegoslaven. De noodklok wordt geluid. Julius Huliselan -oom Ulis in de volksmond- schudt meewarig zijn hoofd. De wijkraad, waarvan hij voorzitter is, heeft in allerijl een vergadering belegd. ,,We hebben geen hekel aan anderen, maar dadelijk is er geen Molukse wijk meer. We accepteren geen buitenstaanders. Je weet hun achtergrond niet.’’

Bron : Rotterdam Dagblad bv @ 2001

Naschrift !

De tekst op deze pagina is voortdurend in ontwikkeling en daarom nog zeker niet betrouwbaar of historisch correct genoeg. Wij nodigen inwoners van Capelle aan den IJssel dan ook graag uit een bijdrage aan de inhoud te leveren. Dat kan bij voorkeur via email info@capelsewijken.nl

Historische Vereniging Capelle aan den IJssel

De Historische Vereniging Capelle aan den IJssel (HVC) werd in 1987 opgericht als voortzetting van de Vereniging tot Behoud van Oud Capelle (VOC). De VOC was een initiatief in 1980 van een aantal Capellenaren die zich verzetten tegen de heersende sloopdrift van het Bestuur van de Gemeente Capelle aan den IJssel.

Mede dankzij de inspanningen van de HVC is er geleidelijk een situatie ontstaan waarin de Gemeente een erfgoedbeleid voert met als doel cultuurhistorische waarden te definiëren, te beschermen, in stand te houden en bekendheid te geven. Het is op deze gronden dat de Gemeente Capelle aan den IJssel de doelstellingen van de HVC financieel ondersteunt.

De HVC is een vanzelfsprekende gesprekspartner wanneer beleidsvoorstellen worden voorbereid die te maken hebben met monumenten, archeologie en cultuurlandschap. Elk kwartaal verschijnt het HVC Nieuwsblad waarin naast verenigingsnieuws ruim aandacht wordt geschonken aan historische onderwerpen.

Zoals dat bij veel verenigingen het geval is, wordt ook bij de HVC veel werk verricht door vrijwilligers. De HVC verheugt zich op een grote groep van belangstellenden die zich in werkgroepen of anderszins met de historie van Capelle aan den IJssel bezig houden.
De vereniging telt ultimo 2015 ruim 550 leden.

Website Historische Vereniging Capelle aan den IJssel (HVC).

2876 Totaal 1 Vandaag

Redactie WOP

Het WijkOverlegPlatform (WOP) is een vrijwilligersorganisatie in de gemeente Capelle aan den IJssel. Wilt u meer informatie? Email dan naar <a href="mailto:info@capelsewijken.nl">info@capelsewijken.nl</a>

Show Buttons
Hide Buttons